Jumping Amsterdam viert zijn vijftigste editie. Inmiddels staat het evenement in de schaduw van Zwitserse concurrentie.
Nee, wie in de Rai het woord ’Zürich’ laat vallen, vloekt niet in de kerk. Hans Bakker ontkent die veronderstelling heel resoluut. De voorzitter van de Stichting Jumping Amsterdam heeft niet het gevoel dat de Zwitserse concurrentie voor Jumping problematisch is. „Dat hoofdstuk heb ik afgesloten’’, zegt hij schouderophalend.
Het concours in Zürich loopt Amsterdam al een paar jaar voor de voeten. In concurrerend opzicht is er voor Jumping weinig eer te behalen. Het Zwitserse evenement is het hoogst gedoteerde binnenconcours en het mag sinds dit jaar de wereldbekerwedstrijd springen organiseren.
Vorig jaar deed Amsterdam dat nog, maar omdat de internationale hippische federatie FEI per half jaar maar één wereldbekerwedstrijd per land wil en Indoor Brabant al jaren vaste abonnementhouder op dat evenement is, viel Amsterdam buiten de boot. Het gevolg is dat de wereldtop, ook al omdat er in Zwitserland veel meer te verdienen is, naar Zürich afreist. Dertien rijders uit de top-twintig rijden er. Amsterdam moet het doen met een kwalitatief minder sterk veld. „Het maakt de wedstrijd alleen maar spannender, als alle ruiters dicht bij elkaar zitten”, oordeelt Bakker positief.
Hij wil niet zuur doen, maar de situatie praktisch benaderen. Het is zoals het is. „Dus we gaan ook niet meer kijken of we Jumping naar een andere datum moeten verplaatsen.” Toch heft Bakker nog even het morele vingertje in de richting van de FEI: „In 1978 organiseerde Jumping de eerste Wereldbeker springen. Mag ik dat wel even vaststellen? Hier is het begonnen. En nu? Voorlopig telt voor mij dat we een pracht evenement hebben met volle tribunes.” Dat is helder, het statement is gemaakt.
Liever praat Bakker over wat hij ziet als de cohesie van Jumping: „Alles grijpt in elkaar. Deelnemers, toeschouwers en vrijwilligers, sponsoren en organisatie, zonder al die mensen is er geen Jumping. En al die mensen zijn opgetogen over het evenement. Ik kan erover meepraten”, zegt hij, refererend aan zijn andere functie, directeur van de Rai: „We hebben hier zeshonderd events per jaar. Ik kan heel goed zien wanneer mensen iets met het hart doen. Bij Jumping zie ik dat.”
Dat het evenement ondanks de kredietcrisis financieel op hetzelfde niveau als vorig jaar kan opereren, staaft hem in die mening: „Het is echt niet gemakkelijk in deze tijd. Toch hebben we vrijwel dezelfde sponsoren, dezelfde bedragen. Je moet het hebben van je loyale sponsors en die hebben we. Nee, verhoging zat er niet in. Dat is jammer voor de vijftigste editie, maar het doet aan Jumping geen afbreuk. Overal zijn evenementen die het slechter hebben dan wij. Neem de Formule 1.” Tel je zegeningen, wil hij maar zeggen.
Dat zijn voorganger in 2005 voorspelde dat Jumping in het jubileumjaar de wereldbekerfinales springen, dressuur en mennen in huis zou hebben, ziet hij bewijs dat dromen bedrog zijn. „Voor mij geldt historisch gezien slechts de vaststelling dat er ups en downs zijn geweest. Nu zijn we op een punt aangekomen waarop we Jumping stabiel hebben gemaakt. Jumping stáát er, het staat er al vijftig jaar en wij gaan ermee door. De toeschouwers, zeker niet minder dan vorig jaar, komen voor mooie sport en wij bíeden mooie sport. Dat is onze ambitie. Niet minder, maar ook niet meer.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.