Rienk van Splunder neemt vandaag afscheid als vicevoorzitter van vakcentrale CNV. Midden in de crisis.
De crisis zal te meer aantonen hoe springlevend en relevant de vakbeweging in Nederland is. „Alleen gezamenlijk, met werkgevers en de politiek, kunnen we hier sterker uitkomen”, meent Rienk van Splunder (59) die vandaag na 32 jaar vakbondswerk afscheid neemt als vicevoorzitter van vakcentrale CNV.
Van Splunder ziet in de crisis kansen. Hij haalt de beroemde uitspraak van Johan Cruijff aan: ’Elk nadeel heeft zijn voordeel’. „Het wordt moeilijk, maar ook uitdagend. We hebben nu tijd om te zoeken naar een nieuw evenwicht en definitief afscheid te nemen van de economie van ongebreidelde groei en overproductie.”
Hij steunt de visie van oud-topbankier Herman Wijffels dat er nu werk moet worden gemaakt van de drie P’s – people, planet, profit – van een meer duurzame samenleving. „Er is een scheve ontwikkeling. We zouden wat minder kunnen produceren en veel minder producten over deze aardkloot kunnen laten reizen. Uit ons advies van de Sociaal-Economische Raad (Ser) over globalisering blijkt dat er op dat vlak nog een wereld te winnen is.”
De Ser, waarin naast vakbonden en werkgeversorganisaties ook onafhankelijke kroonleden zetelen, noemt hij ’opvallend stil’ wat betreft de aanpak van de crisis. Daarvoor steekt hij als Ser-lid ook de hand in eigen boezem. „We kunnen een voortrekkersrol vervullen. Tot nu toe is het toch vooral Bos, die stabiliteit en vertrouwen uitstraalt. Dat is op zichzelf goed, maar er moeten ook concretere maatregelen voor de ondersteuning van de economie komen. Daar dreigt het gevaar van de platte politiek.”
Voor ingrijpende veranderingen is een breed maatschappelijk draagvlak nodig. De politiek kan dat niet negeren, waarschuwt hij. Van Splunder roept de periode in herinnering van het tweede kabinet-Balkenende, toen mensen, geleid door de vakbonden, massaal te hoop liepen tegen de wijze waarop het kabinet er ’arrogant’ de afschaffing van vut en prepensioen doorheen drukte. „Opeens was er op 3 oktober 2004 een oploopje van meer dan 300.000 mensen op het Museumplein.” Vier weken daarna was er het Museumplein-akkoord, waarin het kabinet flinke concessies deed. „We hebben laten zien hoe relevant vakbonden zijn. Zonder maatschappelijk draagvlak richt je weinig uit.”
Hoewel de arbeidsverhoudingen sterk veranderen voorziet Van Splunder een blijvende rol voor de vakbonden. „Voor klapstoelwerknemers hebben we twaalf jaar geleden in de wet Flex en Zekerheid er voor gezorgd dat ze ook rechten en zekerheden kregen. Het is niet genoeg. Bedrijven hebben een grote flexibele schil opgebouwd. Met deze crisis vliegen ze er als eersten uit. Juist zij hebben extra scholing nodig . Daarover moeten we afspraken maken.”
Het groeiend aantal zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) komt daar bij. Van Splunder ziet hen als ’arbeiders’. „Neem de zzp’ers in de bouw, zo’n honderdduizend. Moeten voor hen niet dezelfde veiligheidsregels gelden als voor collega’s op de bouwplaats? Stel scholing voor hen open – en bedrijfstakpensioenfondsen. De meesten bouwen geen pensioen op. Als bonden moeten we het voor hen opnemen, geen werkgever bekommert zich om hen.”
Met Van Splunder vertrekt een ervaren ’polderaar’, die zijn sporen nalaat in het sociaal overleg. Hij schuwde het conflict met werkgevers en kabinet niet. Vorig jaar lagen de sociale partners nog in de loopgraven over het ontslagrecht, in het najaar rookten ze de vredespijp. Van Splunder had zijn aandeel in deze verzoening alleen al door zijn achterban voor het compromis te winnen. Pas later, toen duidelijker werd hoe diep de crisis gaat, besefte hij de waarde van het akkoord. „De verhouding tussen bonden en werkgevers is als een trekharmonica. In tijden van nood komen we tot elkaar, zonder wrok te koesteren, en dat is nu hard nodig.” ’De polder’ is volgens Van Splunder de kracht van Nederland. „Die moeten we koesteren.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.