Het snowboarden wint in Nederland nog steeds aan populariteit. De beste Nederlandse freestyle-rijders schurken inmiddels tegen de wereldtop aan.
Het is relaxed hier, zegt een man van een jaar of vijftig, terwijl hij zijn been beweegt op het ritme van de muziek. De man kijkt uit over de besneeuwde hellingen van het Zwitserse dorpje Laax, waar de afgelopen week de Nederlandse kampioenschappen snowboard plaatsvonden. Een stukje verderop schieten de Nederlandse snowboarders door het witte landschap – felgekleurde figuurtjes zijn het, opgezweept door de felle beats van een dj die zijn draaitafels in de sneeuw heeft geplant.
Dit is de wereld van het freestyle-snowboarden, een nog relatief jonge sport die pas sinds enkele jaren een olympische status heeft. In 1998 waren er voor het eerst plankskiërs aanwezig op de Spelen op de onderdelen halfpipe en slalom, vanaf 2006 werd het olympische programma uitgebreid met de boardercross – een spectaculaire wedstrijd waarin steeds groepjes van vier boarders het tegen elkaar opnemen op een moeilijk parcours vol hobbels en schansen. Dat onderdeel was één van de best bekeken evenementen van de laatste Spelen.
Het snowboarden begon ooit als beweging tégen het alpineskiën. Niet langer wilden de grondleggers van de sport zich conformeren aan het traditionele skiën. Ze creëerden een wereldje met een eigen mores. Zonder regels, maar met veel lol. „En zo zien we het eigenlijk nog steeds’’, zegt David Mol, die deze week Nederlands kampioen ’Big Air’ werd.
Mol is 21 jaar en begon met snowboarden op een borstelbaantje in Huizen, zijn woonplaats. Samen met Dolf van der Wal – die inmiddels een olympische nominatie op zak heeft op het onderdeel halfpipe – bestormde hij de nationale en internationale top. ,,Het is moeilijk te zeggen wanneer het topsport werd’’, zegt hij. En Van der Wal: ,,We doen het omdat we het leuk vinden. Natuurlijk willen we ook wedstrijden winnen. Maar dat is niet de reden waarom we zijn gaan snowboarden.”
In die cultuur probeert de Nederlandse skivereniging (NskiV) enige structuur aan te brengen, zonder daarbij te veel aan de wortels van de sport te zagen. De bond wil zoveel mogelijk Nederlandse boarders aan de start van de Olympische Spelen brengen.
Nicolien Sauerbrei gold jarenlang als uithangbord van de sport, maar zij heeft zich vooral bekwaamd in het alpine-snowboarden, een onderdeel dat veel raakvlakken heeft met skiën. Vorig jaar won ze de wereldbeker op het onderdeel parallelslalom. Zo zette ze de sport in Nederland op de kaart.
,,Daar zijn we haar erg dankbaar voor’’, zegt oud-schaatser Pim Berkhout, tegenwoordig topsportcoördinator van de skibond. ,,Zij heeft laten zien dat je als atleet uit een land zonder bergen op het allerhoogste niveau kan komen. Haar prestaties hebben een aanzuigende werking, waardoor we de sport de laatste jaren in de breedte hebben zien groeien. Maar ook de prestatie van Dolf van der Wal is belangrijk. Zij zijn in een bepaald opzicht toch de helden van de nieuwe generatie.’’
De Nederlanders spelen internationaal inmiddels een aardige rol, weet Berkhout: ,,We staan op het punt om met een grotere groep jongens de wereldtop te bereiken. Daar zitten we tegenaan te hikken. De veertienjarige Dimi de Jong is bijvoorbeeld één van de beste rijders van zijn leeftijd in de wereld. Maar er is ook een groepje jongens van zeventien jaar waarmee we weken in de sneeuw aan het trainen zijn. Die gaan met sprongen vooruit. Die staan aan de worldcuppoort te rammelen.’’
Daarmee stipt Berkhout direct een belangrijk probleem aan. Nederlandse boarders hebben niet de luxe om al op zeer jonge leeftijd veel in de sneeuw te kunnen trainen. ,,Want pas dan maak je enorme stappen’’, zegt Bell Berghuis. De 21-jarige snowboardster heeft op het onderdeel boardercross een halve nominatie op zak voor de Spelen van 2010. Pas toen ze zich bijna volledig op haar sport kon gaan richten, maakte ze de stap richting de wereldtop. ,,Ik ben nu zes tot acht maanden per jaar in de sneeuw. ,,Dit is een sport waarin ervaring heel belangrijk is. Die doe ik nu op. Ik heb de stijgende lijn te pakken.’’
Ook Van der Wal kon de stap naar de top pas maken toen hij zich volledig op zijn sport kon storten. ,,Ik ben nu negen maanden per jaar onderweg. Ik leef uit de koffer. Je kunt deze sport gewoon niet in Nederland doen, dus moet je veel tijd en geld investeren. Om op dit niveau te komen, dat kost gewoon jaren. Ik word nu gesteund door de bond, omdat ik in de selectie zit, maar de eerste jaren moet je het echt uit jezelf halen. Laten zien dat je het wil en dat je potentie hebt. En dat kan eigenlijk alleen in de sneeuw.’’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.