*

 

Vluchten hoeft niet meer

Monic Slingerland − 31/01/09, 00:00

Op kamers voor de ultieme vrijheid?

Hard blaast de meiwind tegen de rugleuning van de keukenstoel achter op de bagagedrager. Ik verhuis mezelf per fiets naar mijn eerste studentenkamer. Eigenlijk ben ik te ongerust om het suizen van de wind te horen, langs de spijlen van de stoel. Te ongerust, te trots, te boos, te vastbesloten. Te veel afgeleid door de alarmbellen in mijn hoofd, de gongen van triomf. Ik ben ontsnapt, met het gevaar dat voor straf er geen 500 gulden per maand meer komt. Dan moet ik stoppen met studeren. Maar de grote stap is genomen. Ik ben weg. En dat zonder te trouwen, zoals sommige meisjes hebben gedaan om maar weg te komen.

De eerste meimaand in mijn studententijd, bijna het einde van het eerste jaar. Eindelijk toch op kamers, al mag het niet. Op kamers gaan betekent gevaar en onveiligheid en het is duur en vooral is er niemand meer die precies weet waar ik uithang.

Tenminste, zo keken mijn ouders ertegenaan. Op kamers gaan betekent vrijheid, en nooit meer aardappels eten en zelf weten hoeveel stroopwafels ik tussendoor snoep en hoe laat ik naar bed ga en op feesten net zo lang kunnen blijven als ik wil, zonder de laatste trein te hoeven halen. Ik was jaloers op jaargenoten die door hun ouders op hun achttiende het huis waren uitgezet met de opmerking: ’Zo, we hebben lang genoeg voor je gezorgd, Zoek het nu zelf maar uit.’

Daarom had ik stiekem toch een kamer gehuurd. En verhuisde ik met mijn eigen fiets alles wat ik nodig had om daar te kunnen leven. Een stoel, een slaapzak en mijn boeken. Een kleine transistorradio. Dat kon allemaal in één keer mee. Een uur na vertrek liep ik de gang in, langs het telefoontoestel in de gang en stak de sleutel in de deur van mijn eigen kamer. Die avond zat ik op de grond, op mijn uitgerolde slaapzak en keek rond in die krap tien kubieke meter vrije ruimte. Ik weet nog hoe ik langzaam inademde. Zo smaakte vrijheid, als de koele stadslucht van een oude arbeiderswoning waarin ik een van de drie studentes was. Ik was die avond te gelukkig om uit te gaan. Viel vroeg in slaap.

Van deze gebeurtenissen vertel ik niets aan mijn zoon met wie ik samen praat en televisie kijk. Ik vertel er niets van, terwijl ik naar mijn zoon luister, die drie jaar ouder is dan ik toen.

Drie jaar heeft hij op kamers gezeten. Hij is weer thuis komen wonen.

Ik vraag of hij het als een nederlaag voelt en hij lacht. „Eerder als een stiekeme overwinning”, zegt hij.

Het gaat hem niet om de was of boodschappen doen of om koken. Op kamers wonen, zegt hij na even nadenken, is hem te druk en te eenzaam. Na drie jaar heeft hij daar genoeg van. Het kost hem geen moeite om het uit te leggen. Te druk door de doorgaande weg die vlak langs zijn huis loopt. Te druk ook vanwege de vele feesten in huis en vooral door een slepend conflict met zijn huisbaas. De huurcommissie vindt ook dat de huisbaas belachelijk veel huur vraagt, maar de huisbaas wil best met een stel stevige bouwvakkers uit nieuwe EU-landen laten zien wie de sterkste is. En dat slaapt niet lekker.

Hoe kan het eenzaam zijn met zoveel feesten in huis? vraag ik. Ach, zegt hij. Het is veel zuipen en verder oppervlakkig. Vluchtig. Hij heeft het wel gehad. Het is zo doelloos, dat wachten op vrijheid en zekerheid die maar niet komen. Hij is het zat om te chillen met mensen die hetzelfde leven leiden als hij, dezelfde problemen hebben waar ze niet over praten. Naast hem woont een Italiaan die alleen maar Engels praat en dan ook nog alleen maar het woord fuck kent. Dat is het enige woord dat hij nodig heeft, want met zijn vriendin heeft die Italiaan alleen maar ruzie. Zo’n buurman van wie je alleen dat ene woord hoort en geschreeuw en van wie je verder niets weet, is erger dan ouders die zeiken, zegt mijn zoon en hij meent het uit de grond van zijn hart.

Bijkomend voordeel van thuis wonen is dat hij nu weer gezonder eet.

En die prachtige pastarecepten dan, met zalm en pesto en salades? vraag ik beduusd. Nou ja, dat at hij niet als hij alleen was. Alleen als er iemand langskwam.

Van zijn jaar is hij niet de enige die thuis woont. Wel de enige die weer thuis woont. Natuurlijk heeft hij dat aan zijn medestudenten verteld. Het is toch niet iets om je voor te schamen? Een vriend van hem is pas weer bij zijn moeder ingetrokken .

Nu hij dat zegt, zie ik dat het zo vreemd niet is. Het gaat tegenwoordig anders, zie ik om me heen. Kinderen die al jaren het huis uit zijn, trekken maar wat graag met hun ouders op. Ze willen met ze op reis, of een weekendje weg, of ze komen gewoon een paar dagen thuis. Niet om de was, en die week Parijs betalen ze ook gewoon zelf. Het gaat om de gezelligheid, en om het gezinsgevoel, om de verbondenheid. Ouders zijn niet meer die cipiers van vroeger, die tegenstanders die breeduit voor de poort naar de vrijheid staan. Ouders gaan tegenwoordig mee naar Ikea om meubels voor de studentenkamer te kopen, ze huren een busje om al die spullen, zoals een televisie, een computer, een tweepersoonsbed, een kast, een tafel en stoelen en een bankje te verhuizen. Ze leggen vloerbedekking en helpen de kamer schilderen. Maar vooral zijn ouders, tenminste zo ziet het eruit, degenen bij wie je hoort, zonder dat je daar iets voor hoeft te presteren. Voor de student van nu is het ouderlijk huis, zelfs als dat er twee zijn geworden doordat die ouders uit elkaar zijn, de plaats waar je vanzelfsprekend thuis bent. Al de mail en sms van de wereld kan dat niet helemaal vervangen.

Mijn zoon en ik sms’ten met elkaar, toen hij nog op kamers woonde, terwijl we allebei naar Pauw en Witteman keken. ,,Wat een vage gast”, of „Pauw is op dreef”. Maar toch is hij teruggekomen. Op kamers wonen betekent dat je ergens woont waar je niet echt bij hoort, zegt mijn zoon. Hij had er een te romantisch beeld van, achteraf gezien. Het enige is dat hij nu de deur uit moet voor een feest, maar ach, dat staat niet in verhouding tot de vele voordelen.

Enne.... hoe lang is hij van plan om weer thuis te blijven? Enige helderheid kan geen kwaad, in dit soort gevallen. Tot er iets goeds op zijn pad komt, zegt hij.

Dus nog twintig jaar? vraag ik cynisch. Nee mam, over een jaar of drie, vier is dat wel zover, zegt hij rustig.

De andere kinderen vinden het gezellig dat hun oudste broer weer thuis woont. Dochterlief, vier jaar jonger dan hij, waarschuwt dat het gezellig samenzijn niet lang zal duren. Zodra het kan, zodra ze haar diploma heeft, is ze vertrokken. O, wat heeft ze er een zin in om op kamers te gaan.

mailIcon print |