In de Groningse Hoendiepflat plaatst de woningbouwvereniging studenten willekeurig bij elkaar op een afdeling. Juist daardoor kan er iets moois ontstaan. ’Er heerst een oprechte sfeer. Je hoeft je niet te bewijzen.’
De Groningse Hoendiepflat heeft negen verdiepingen. Acht ervan ogen identiek: lege, kale gangen, alles spic en span. Maar de vierde verdieping van deze studentenflat is een opvallende. Posters sieren de muren, een tennistafel midden in de gang en wasrekken voor openstaande kamerdeuren. Een verdwaalde winkelwagen fungeert als glasbak. Daarboven hangt een zelfgemaakt houten bord met beschreven knijpers eraan, die aangeven wie ’in’ huis is en wie ’uit’.
’De verdieping’ is een begrip. Een minimaatschappij waaraan zesentwintig jonge mensen deelnemen. Er is een hechte kerngroep, die nu bestaat uit negentien personen. Maar dat aantal fluctueert. Binnen die groep zijn geen subgroepjes, wél diepe vriendschappen en enkele liefdesrelaties. Er is een leven op de verdieping, voorheen ook wel ’de afdeling’ genoemd, en een leven daarbuiten. Met regelmaat wordt er verhuisd: nieuwe studenten trekken in de kamers van bewoners die na een aantal jaar besluiten te vertrekken. Maar ondanks de wisselingen blijft de bijzondere, hechte sfeer op de verdieping.
Ze zijn zijn alles behalve identiek: ze komen uit de Achterhoek, uit Alkmaar of uit Italië, doen uiteenlopende studies, een enkeling werkt al, de jongste is achttien en de oudste in de veertig. Hun kamers zijn allemaal anders ingericht. De een loopt rond in een nette pantalon, de ander in een badjas.
Ze delen niet alleen een gezamenlijke woonkamer en keuken maar ook lief en leed, een Nintendo Wii, de passie voor lekker koken, droge humor en vooral heel veel gezelligheid.
In de woonkamer klopt het hart van de vierde verdieping. Hier proberen de bewoners vanavond, tussen alle bedrijven door, hun minimaatschappij te doorgronden. Vier grote banken – die snel slijten onder het intensieve gebruik – vullen de sfeervolle ruimte. De kans om hier een huisgenoot te treffen is om vier uur ’s nachts groter dan om acht uur ’s ochtends. Het is er gezellig vol.
Vol is ook de keuken. Daar vormt –hier verschilt De Verdieping niet van andere studentenhuizen– de afwas de grootste ergernis. Tussen vijf en negen uur ’s avonds wordt er in etappes gekookt. Aan de eettafels die tegen elkaar zijn geschoven is ruimte voor zo’n tien mensen.
Martijn Kok (23), al vier jaar bewoner, wijst op een van de muren van de woonkamer. Daar pronken geschilderde vlaggen. Die verwijzen naar de thema’s van de ’eerstejaarsfeesten’ waarop ieder jaar de nieuwe bewoners, gemiddeld zes, welkom worden geheten. Martijn is een van de nestors van de verdieping. „Wij wijzen de eerstejaars op de tradities, zoals het eerstejaarsfeest, dat ze zelf moeten organiseren” , zegt hij. „Zo willen we hen laten integreren, met elkaar en met ons.” Er zijn meer activiteiten die al jaren terugkeren: het galakerstdiner en een feest voor de hele flat in de fietsenkelders.
Samen met de andere nestor, Trudy Krajenbrink (22), is Martijn het aanspreekpunt voor de nieuwelingen, maar ook degene die wordt ingelicht als er weer eens een nieuwe bank moet worden aangeschaft. Ze nemen hun verantwoordelijkheid, maar willen niet gezien worden als een soort ’papa en mama’ voor de jonkies. Onderscheid tussen jong en oud is er nauwelijks, hoewel de oudere bewoners zich iets vaker terugtrekken op hun kamer.
Het motto is: niks moet. Kom je erbij, heel gezellig. Heb je geen zin om mee te doen, dan zal niemand je raar aankijken.
In die houding schuilt de magie van de vierde verdieping. Want hoe kunnen zoveel jonge mensen, met zulke grote verschillen toch jarenlang zo fijn samenwonen?
Juist de grootte van deze diverse groep maakt het samenleven makkelijker, zegt de negentienjarige Sanne Roessingh. „In een kleine groep val je er makkelijker buiten. Hier is altijd wel iemand bij wie je past.” En irritaties? Die kan je in een grote groep makkelijker ontlopen, zeggen haar huisgenoten. Zo is het nooit duidelijk wie de veroorzaker is van die enorme bult afwas op het aanrecht.
Ze hebben geen verwachtingen van elkaar, omdat ze hun huisgenoten niet hebben ’uitgezocht’. Hospiteren, zoals vaak de gewoonte is in studentenhuizen, kan hier niet eens. De woningcorporatie wijst een kamer toe aan diegene die daar het meeste recht op heeft. „Je hoeft je dus niet te bewijzen, want je bent er toch al. Dat zorgt voor een ontspannen sfeer die oprecht is”, zegt Paul Meijer (24), die zit te roken op de bank. „Je respecteert elkaar en houdt rekening met elkaar.” Lachend: „Ik weet, het klinkt alsof we allemaal verliefd zijn op elkaar, maar het gaat gewoon vanzelf.”
Toch kan je niet blijven roepen dat het hier altijd geweldig is, nuanceert Hessel Visser (23), die met vijf jaar woonervaring tot de oudgedienden gerekend mag worden. Het sociale gebeuren kan je ook tegen gaan staan, wil hij maar zeggen. „Als je hier langer woont, zie je een soort patroon: of je komt hier wonen en ziet dit als een soort opstapplek naar een andere woning en gaat weer weg. Of je blijft en je hoort er helemaal bij.”
Hessels huisgenoten zien het anders. Mensen hoeven niet mee te doen om welkom te zijn. En hij moet toegeven: het is minder zwart-wit dan het lijkt. Wie een tijdje druk is met de studie en meer aan het leven buiten de verdieping deelneemt, wordt niet automatisch uit de groep verbannen. Anders had hijzelf hier niet meer gezeten.
Dat beaamt Fabio Bracci, een 36-jarige Italiaanse student die al acht jaar op de verdieping woont. „Mijn eerste jaren hier heb ik het studentenleven voluit geleefd. Nu probeer ik me op mijn scriptie te concentreren en heb ik me meer teruggetrokken uit de groep.”
Daarover wordt niet moeilijk gedaan, zegt de senior van de vierde. „Ze accepteren elkaar zoals ze zijn. Als je de boeken zat bent of je eenzaam voelt, loop je gewoon de woonkamer in. Daar is altijd iemand die bereid is je even gedag te zeggen.”
Op de volgende pagina’s komt een aantal bewoners van de vierde verdieping aan het woord.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.