*

 

Hollandse glasnost

Rob Schouten − 25/03/09, 00:00

opinie Toen ik klein was, wist ik niet hoeveel mijn vader verdiende. Daar praatte je niet over. Ik ging er maar van uit dat het allemaal wel in orde was.

Toch zaten er bij mij in de klas kinderen die het duidelijk niet zo goed hadden als wij thuis, een jongetje dat altijd in dezelfde verwassen trui verscheen en van wie het gerucht ging dat-ie vlooien had, een meisje dat niet mee mocht met het schoolreisje richting Groenendaal omdat haar moeder het niet kon betalen.

Ik mat rijkdom af aan de auto’s die men bezat, de buren met de Opel Kapitün moesten wel steenrijk zijn, om van de slager met zijn Chevrolet Impala maar te zwijgen. Dat stel met z’n Fiat 500 moest nog beginnen, zoveel was duidelijk. Ik hoorde mijn vader, die uit hoofde van zijn positie als predikant geacht werd niet aan materiële zaken te denken, weleens iets mompelen over een gemeentelid dat misschien wel twintigduizend gulden verdiende.

Er klonk iets van afkeuring in door, misschien ook onderdrukte jaloezie. De man lag nog in scheiding ook; zo leerde ik rijkdom met ongeluk of verdorvenheid te associëren. Dingen uit je jeugd blijven je scherp en soms onredelijk bij, ik ben de auto waarin de scheidende man reed, een Austin Cambridge, altijd verdacht blijven vinden, ook nu het allang een oldtimer is geworden, en zelfs de Universiteit van Cambridge komt op mij altijd wat minder wetenschappelijk en lichtzinniger over dan die van Oxford.

We leven allang niet meer in tijden waarin mensen geheimzinnig doen over hun inkomen. Alleenstaande moeders vertellen schaamteloos hoe weinig ze krijgen en hoe moeilijk het is om rond te komen. De salarissen van topmensen in het bedrijfsleven kun je op internet opzoeken. We weten hoeveel de premier verdient en wat het gemiddelde inkomen van de Nederlandse boer is. Helder en transparant. Hollandse glasnost als het ware.

Maar die helderheid heeft ook een negatief effect. Want sinds iedereen weet wat iedereen verdient, zijn de bonussen van topmensen omhooggeschoten. Je zou dat het ’bonusopdrijvend’-effect kunnen noemen. Als de buren een zonnescherm kopen wil jij er ook een, liefst nog mooier. Vroeger bestond een bonus uit twintig procent van je inkomen, dat je extra kreeg als je je best had gedaan.

Tegenwoordig beslaan bonussen soms wel tweehonderd procent van het vaste salaris en worden ze vaak uitgekeerd ongeacht je verdiensten, als een soort vast salarisbestanddeel. Dat komt omdat iedereen naar elkaar zit te kijken: hij krijgt drie ton extra, dat wil ik ook. Net als alle andere extraatjes, emolumenten en stipendia hebben bonussen de neiging om de mens te knechten, je gaat erop rekenen, je hebt er recht op.

De inflatie van de verrassing. Soms zou je wensen dat mensen, rijk of arm, nog een soort gêne hadden over hun salaris. Die tijd zal niet terugkomen, glasnost is veel te fijn, een democratisch goed. Maar de helderheid die ons inzicht geeft in het probleem is tegelijkertijd de oorzaak van dat probleem. Daar valt niet aan te ontkomen.

mailIcon print |