Gebroken gezinnen, armoede, criminaliteit, vroege zwangerschap, drugs – sommige jongeren krijgen zoveel voor de kiezen dat het gewoon naar school komen en een diploma halen niet meer lukt. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid spreekt van ’overbelasten’ en schat dat jaarlijks 20.000 van hen voortijdig de school verlaten.
Het WRR-rapport van afgelopen week is in zekere zin ontmoedigende lectuur – niet alleen vanwege de beschrijving van de problemen van deze overbelasten. Al ruim twintig jaar spannen beleidsmakers zich in om het aantal voortijdig schoolverlaters omlaag te brengen, tot nu toe zonder veel resultaat. Biedt de WRR aanknopingspunten voor beleid dat wél werkt?
Het WRR-advies legt sterk de nadruk op ’de werkvloer’: de sleutel ligt in de dagelijkse omgang tussen leraar en leerling. De raad pleit er daarom voor om leerlingen in overzichtelijke groepen te zetten, met een klein team van leraren. Elke leerling moet ook een mentor krijgen. In deze kleinschalige omgeving moet leerlingen structuur geboden worden (’regels zijn regels’) en ook verbondenheid: het gevoel ’erbij te horen’.
De WRR keert zich hiermee tegen de veelgehoorde opvatting dat het op school om kennisoverdracht gaat, en dat de school zich niet moet inlaten met andere taken. Op een aantal vmbo-scholen heeft WRR-lid Winsemius gezien dat dat niet werkt voor overbelasten. Deze jongeren voelen zich noch thuis noch op straat veilig, zei een Utrechtse vmbo-directeur vorig jaar al in Trouw; school is de enige veilige plek die ze hebben, en die veiligheid is een eerste vereiste als je hen een diploma wilt laten halen.
Maar op de vmbo-scholen die hij bezocht, heeft Winsemius ook gezien tegen welke grenzen zij oplopen. Want om kleinschalig onderwijs te realiseren, zal het aantal leraren per leerling fors omhoog moeten, en dat is duur. De scholen die al met kernteams werken, komen nauwelijks rond met het bedrag dat zij nu per leerling van de overheid krijgen.
Het mbo (dat veel meer uitvallers telt dan het vmbo) krijgt per leerling minder geld dan het vmbo. Het is dus geen wonder dat het werken in kernteams daar nauwelijks van de grond is gekomen. Om die werkwijze ook in het mbo te verwerkelijken, is dus nog veel meer geld nodig.
Maar geld is niet het enige obstakel. De groep overbelaste jongeren heeft te maken met een woud van instanties, van politie tot verslavingszorg en van leerplichtambtenaar tot jeugdzorg. Dat vergt veel afstemming. Vooral in het vmbo zitten die instanties al regelmatig bij elkaar om de tafel in ’zorgadviesteams’ – ook op dit terrein loopt het mbo nog ver achter.
Maar dat overleg is geen panacee. Want al zit er één vertegenwoordiger van de reclassering aan de overlegtafel, het kan zomaar gebeuren dat een ándere reclasseringsambtenaar de school in de wielen rijdt door een leerling uitgerekend onder schooltijd op kantoor te ontbieden – om maar een eenvoudig voorbeeld te noemen.
Voor dit probleem heeft de WRR geen oplossing; verder dan het aanwijzen van de mbo-scholen als het ’centrale draaipunt’ komt de raad niet. In de praktijk hangt ook in dit opzicht veel af van de leraar op de werkvloer. Maar die kan het niet alleen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.