*

 

’Gelukkig werd ik niet verstoten’

Elwin Verheggen − 04/02/09, 00:00

In Nigeria worden leprakuren onder invloed van traditionele medicijnmannen vaak te laat ingenomen. Rabi Musa moet met de gevolgen leven.

  • Vriendinnen controleren of Rabi Musa (in het midden van de foto) nieuwe wondjes heeft. Dit is een zelfhulpgroep van ex-leprapatiënten in Noord-Nigeria. (FOTO JAN-JOSEPH STOK)

Maandenlang kwam Rabi Musa (50) huilend thuis bij haar man in het Noord-Nigeriaanse Hadakunyam. Het pas getrouwde stel was net verhuisd naar dit stoffige gehucht met een paar duizend inwoners en een lepraziekenhuis.

Tot haar verdriet moest ze de eerste periode op straat om aalmoezen smeken. „Al ons geld ging naar de aankoop van een stuk grond dat mijn echtgenoot bewerkte”, zegt Musa, terwijl ze triest naar haar verminkte vingers tuurt die met henna rood-zwart gekleurd zijn. „Tot de eerste oogst bedelde ik, ondanks mijn diepe schaamte.”

Dit is alweer dertig jaar geleden, kort nadat ze lepra kreeg. Toch denkt ze er nog geregeld aan. Ze woont op hetzelfde stuk land, in een lemen hut met haar man, vlakbij haar kinderen en kleinkinderen. Toch is ze nu gelukkig met wat ze heeft. Haar ziekte heeft ze geaccepteerd, trots verkoopt ze parfum langs de deuren.

Musa is zomaar een lepraslachtoffer in Nigeria, waar deze armeluisziekte jaarlijks ongeveer 5000 nieuwe patiënten telt (zie kader). De overheid loopt niet weg voor de problemen, er zijn nationale bestrijdingsprogramma’s en lepraziekenhuizen. Door het hele land zijn door sponsoring van bijvoorbeeld de Nederlandse Leprastichting gratis medicijnenkuren beschikbaar die de ziekte genezen. Maar door invloed van traditionele medicijnmannen beginnen patiënten vaak te laat met de zes tot twaalf maanden durende leprakuur.

Ook voor de omgeving is het belangrijk snel medicijnen te nemen, omdat dat besmetting voorkomt. Hoe later patiënten pillen slikken, hoe groter het risico dat zij verminkingen aan de ziekte overhouden. Vingers en tenen gaan dan voorgoed verloren.

Musa verkwistte vijf maanden door toedoen van een medicijnman. „Het begon met een gevoelloos vlekje op mijn voorhoofd, waarvoor ik steeds zogenaamde medicijnen kreeg. Bijvoorbeeld boomblaadjes om erop te smeren, maar dat loste niets op. Tot een ex-leprapatiënt me vertelde dat ik naar het ziekenhuis moest.”

Ze was toen al het gevoel in handen en voeten verloren. Tijdens het koken raakte ze langdurig een hete pan aan. Brandwonden ontstaken, en nu mist ze verschillende vingertoppen. Voetletsel door een kapotte fles verminkte haar tenen.

Sommige leprapatiënten bezoeken meerdere medicijnmannen. Een jonge dame in Musa’s dorp ging er zelfs naar tien in drie jaar. Iedere keer kwamen vrienden en kennissen weer met een nieuwe op de proppen. Meubels, kleding, geiten en schapen, alles werd verkocht om de bovennatuurlijke genezers te kunnen betalen. Zonder resultaat. „Het is onwetendheid”, zegt Musa. „Zelf was ik het meest bezorgd om mijn gezondheid. Ik heb er verder nooit over geklaagd. We stappen hier niet snel naar de rechtbank.”

Toen Musa erachter kwam dat ze lepra had, was ze vooral bang dat ze verstoten zou worden door haar familie. „Maar dat gebeurde niet, Godzijdank”, zegt ze. „Tijdens mijn behandeling ontmoette ik mijn man, met wie ik op zijn initiatief naar Hadakunyam verhuisde om dichtbij het lepraziekenhuis te wonen.” Hij en zijn familie hebben nooit problemen met haar ziekte gehad. Zelf heeft zij na haar medicijnenkuur weinig pijn meer, alleen soms in haar zenuwen.

In het begin stopte ze haar handen zoveel mogelijk weg onder haar jurk. Ze doet na hoe ze toen deed en lacht erom. Musa: „Ik kan alles gewoon doen hoor. Maar ik verhandel wel bewust geen etenswaren, omdat men dat misschien onprettig vindt. Geregeld word ik uitgenodigd om samen met anderen te eten.”

mailIcon print |