’Rituele creativiteit’ is tegenwoordig hét begrip bij uitvaart en rouw. Nabestaanden krijgen een grotere rol, en er komen steeds meer varianten van dodenbezorging. Nederland heeft zelfs veel weg van een ritueel laboratorium.
Wat zou Pericles van het moderne Nederland gevonden hebben? Hij zei ooit dat de mate van beschaving van een volk valt af te lezen aan de wijze waarop men zijn doden bezorgt. Pericles zou op zijn minst verward zijn, want de dodenbezorging in Nederland wordt steeds diverser. Die ontwikkeling is al een aantal jaren aan de gang, maar nu pas begint de wetenschappelijke belangstelling daarvoor echt goed op gang te komen.
Zo heeft de Nijmeegse hoogleraar antropologie Eric Venbrux een speciale onderzoeksgroep opgezet. Sinds 2007 leidt hij het door NWO ondersteunde programma ‘Refiguring Death Rites’. Onlangs bracht de onderzoeksgroep een eerste bundel uit met bijdragen over verschillende vormen van rituele creativiteit. Want dat is het centrale begrip waarmee de recente ontwikkelingen rond uitvaart en rouw het beste zijn te karakteriseren. Het boek geeft een goed overzicht van de uiteenlopende manieren waarop nabestaanden (en professionals) zelf vorm geven aan een uitvaart en daarmee die creativiteit invullen.
De bron van de rituele creativiteit en improvisatie ligt in de onverminderde behoefte aan rituelen. Zonder dat is het moeilijk afscheid nemen van de doden. Maar de traditionele dodenriten worden als onbevredigend ervaren. De rol van de dominee en priester neemt af en de uitvaartrituelen raken op drift. Nabestaanden gaan zelf een actievere rol spelen en bespreken de uitvaartrituelen tegenwoordig met de uitvaartondernemer. Een opmerkelijke roluitbreiding: een commercieel bedrijf neemt een taak van een zielzorger over. Dat is goed te zien rond het oorspronkelijk katholieke Allerzielen. Dat heeft een geheel nieuwe en geseculariseerde invulling gekregen: uitvaartondernemingen nemen het voortouw bij het herdenken van de overledenen.
Over de nieuwe creativiteit in de Nederlandse uitvaart- en rouwcultuur is veel discussie. Zijn de ’nieuwe rituelen’ echt nieuw, kun je een ritueel wel ’uitvinden’, of borduurt men voort op bestaande tradities? Volgens Venbrux cs is het vooral dat laatste. Bestaande rituelen worden heruitgevonden, verdwenen vormen keren terug en er ontstaan nieuwe combinaties van oude rituelen.
Dat mondt soms uit in creatieve composities van elementen van heel verschillende herkomst, wat Venbrux verleidt tot de term ’rituele bricolages’. Daarin is plaats voor elementen uit andere culturen (dankzij de toename van het aantal immigranten en de grotere mobiliteit van de Nederlanders) en uit niet-christelijke religies. Ook uitvaarten van bekende Nederlanders leveren inspiratie op.
De toegenomen ’rituele knutselarij’ wordt gestimuleerd door de uitvaartbranche, die benadrukt dat uitvaarten vooral uniek, persoonlijk en origineel moeten zijn. De rituele creativiteit komt op verschillende manieren tot uiting: bij bermmonumenten, lichaamsdonatie, virtuele monumenten op internet en monumenten voor doodgeboren kinderen. Sinds de asbestemming in 1991 min of meer vrij is gegeven, is er een baaierd van mogelijkheden ontstaan, van tatoeages tot lancering van de as in de ruimte.
Ook bij moslims is een toenemende creativiteit te bespeuren, die duidt op veranderingen in deze traditioneel weinig individualistisch ingestelde uitvaartcultuur. Zo is het niet vreemd meer om een imam aan te treffen op een uitvaartbeurs, die zijn diensten aanbiedt voor ’uitvaartverzorging op maat’. De islamitische grafvakken van begraafplaatsen getuigen van een steeds uitbundiger grafcultuur met grafgiften, persoonlijke teksten op de grafsteen en kleurrijke beplanting.
Met de grote ruimte die mensen nemen om een actieve rol te spelen bij het vervullen van de laatste eer, heeft Nederland volgens de auteurs veel weg van een ritueel laboratorium. Een gevaar dat daarbij op de loer ligt – en waarvoor religiewetenschapper Jean-Pierre Wils in het boek terecht aandacht vraagt – is dat bij alle knutselarij de aandacht meer uitgaat naar de vorm dan de inhoud. Rituelen moeten geen onveranderlijke fossielen zijn, ze kunnen veranderen, maar er moet altijd sprake blijven van inhoudelijke overtuigingskracht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.