*

 

Poëzie zonder kaasstolp

Erik Jan Harmens − 31/01/09, 00:00

Gedichtendag is voorbij, we hebben een nieuwe Dichter des Vaderlands, maar intussen is er in onze poëzie iets nog opmerkelijkers gaande. Er waait een frisse, maar gure wind doorheen. Dichters durven het opeens te hebben over asielzoekers, oorlog en te veel asfalt, over de ruige wereld daarbuiten. Ze zijn niet meer bang voor eendimensionale pamflettisten versleten te worden.

Het engagement is terug in de poëzie! Ik weet dat dit vaker is geroepen, meestal door luid schreeuwende punkdichters met overal speldjes en een ongezonde huid die, de kwaliteit van hun teksten in aanmerking nemend, niet bepaald als ambassadeurs hebben gefungeerd van beklijvende maatschappij-gerelateerde dichtkunst. Echt geëngageerde poëzie in Nederland beperkt zich vaak tot pamfletteksten die zeggen waar het op staat en verder niks. Weg met de bom. Weg met de grootbanken. Weg met alles.

Het heeft me altijd teleurgesteld, omdat ik wel degelijk wil dat poëzie een reflectie is van de tijd waarin ze is geschreven. Ik wil dat de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, het online slachten van immigranten op ouwejongenskrentenblog GeenStijl en de rechtdoorzeeë duim omlaag in de richting van Ayaan Hirsi Ali, een stem krijgen in de woorden van Nederlandse dichters. Maar dan niet letterlijk natuurlijk, want poëzie dient zich liefst niet letterlijk aan maar verbeeldt iets. En ik wil dat de toon van die verbeelding guur is.

Als de toon van de verbeelding niet guur is maar behaaglijk warm, meen ik dat de poëzie zich ophoudt onder een kaasstolp. Ik wil niet dat we ons in het literair café vermeien met alliteraties en enjambementen terwijl buiten de sociëteit een oorlog wordt uitgevochten. Ik wil geen koetjeskalfjes-lyriek terwijl men in de werkelijke wereld elkaars hersenpan indeukt. De taal mag fluisteren of brullen, ze mag lang van stof zijn of afgepast, dat is een vormkwestie. Maar als het gaat om de toon van de muziek, dan moeten dichters in hun werkkamer geen bloemenvelden gaan bezingen terwijl buiten het kanonnenvlees in de loopgraven hangt.

Aan die wens is in de afgelopen jaren ruimschoots voldaan, waardoor ik nu kan roepen dat het engagement terug is in de poëzie zonder door de complete barploeg van kraakcafé Vrankrijk aan de Spuistraat in Amsterdam op de schouders te worden genomen.

Werk dat zich goed verhoudt met de hierboven wat bruusk samengevatte poëtica, wordt bijvoorbeeld gemaakt door de kersverse PC Hooftprijs-winnaar Hans Verhagen, met name in de bundel ’Moeder is een rover’ (2004): „Die het kwade spreken krijgen steeds meer te vertellen / In dit ondermaanse licht ontleend aan schaduwen / anderen de vingers breken tot ze niet meer meetellen / om ooit de sultans ezel voor zich uit te mogen duwen.” Dergelijke poëzie is raak, onbehouwen, een beetje ongewenst en helemaal nu.

Een andere PC Hooftprijswinnaar, H.H. ter Balkt, is al decennia lang breed-erkend meestermysticus, zoals vorig jaar in de bundel ’Vuur’: „Het zijn alleen nog de parkeerplaatsen / Het lijkt alleen het stof nog dat spreekt / in ’t kreupelhout Economische Groei.”. Andere dichters die schrijven op een gloeiende plaat zijn de kersverse Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr, Ilja Leonard Pfeijffer, Alfred Schaffer, Mustafa Stitou, Peter Verhelst, Joost Zwagerman en natuurlijk de dandy van de desillusie Menno Wigman, zoals in het dunne in 2006 verschenen gelegenheidsbundeltje ’De wereld bij avond’: „Tweeduizendzoveel. Pixels, steeds meer pixels.”

Als ik naar in 2008 verschenen bundels kijk en daar mijn poëtica op loslaat, was ik nog niet ondersteboven maar wel al blij verrast toen ik een van Nederlands’ meest gelezen dichters, Judith Herzberg, in de bundel ’Het vrolijkt’ de vraag zag stellen of de sleutel van de ’heren of dames bewakers’ in een azielzoekersuitzetcentrum niet in hun hand brandt. En hoe ze ’s avonds in slaap kunnen komen: „Bent u nooit bang / dat u ook zelf ooit / in een gevang belandt?” Het is nog een veel te letterlijke weergave van de krantenkop, maar in een ander gedicht in die bundel, ’Fantoomhoofd’, hiernaast afgedrukt, komt Herzberg ongekend direct en fel uit de hoek en dat levert meteen verrassender en ook raadselachtiger poëzie op. Want waar slaat dat ‘daar’ op in de beginregel? En waar staat de ’decaptivatie’ in dit gedicht precies voor?

De verantwoording achter in de bundel biedt geen soelaas, maar volgens mij doelt Herzberg op het naturalisatietraject waar instromende nieuwe Nederlanders verplicht mee te maken krijgen. Volgens mij wordt met de directeur onze vorige minister van Vreemdelingenzaken bedoeld, die zo lekker direct een onderscheid durfde te maken tussen gewenste en ongewenste nieuwe Nederlanders. Die zei waar het op stond en als een echte vent de leiding nam. Allemaal eigenschappen die we maar blijven waarderen in mensen.

Een andere vorig jaar verschenen bundel komt misschien uit een meer voor de hand liggende hoek. Het is niet zo vreemd dat in een tijd waarin we vreemdelingen opjagen in plaats van een schuilplaats bieden de meest opmerkelijke poëzie wordt geschreven door precies zo’n vreemdeling. Rodaan Al Galidi is zijn naam. Tien jaar geleden strompelde hij, op de vlucht vanuit Irak, ons land binnen. In afwachting van een voorgespiegeld naderend vertrek thuiswaarts, werd hem niet toegestaan zich de Nederlandse taal machtig te maken. Toen is hij het zichzelf maar gaan leren, want in Nederland kan een naderend vertrek lang op zich laten wachten.

Drie jaar geleden publiceerde Al Galidi, inmiddels naar het gastvrijere België gevlucht, de bundel, ‘De herfst van Zorro’, die onmiddellijk werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Aan menig borreltafel in literaire café’s hoorde ik witte dichters van grote naam zonder enige ironie snoeven dat Al Galidi die nominatie enkel te danken had aan het feit dat hij vluchteling was. Onder collega-dichters bleek maar weinig waardering voor dit bizarre konijn-uit-de-hoge-hoed-vocabulaire: „Als mijn boeken monden hadden, / wat zouden ze doen? / Mij zoenen / of in mijn gezicht spuwen?”

Eerst bewierookte ik de poëzie van Al Galidi, maar een paar maanden later wist ik ineens ook niet meer zo zeker of ik het wel zo goed vond en sloot ik niet uit dat de taalvondsten van de immigrant deels wellicht op toeval berustten. Ik wist me eigenlijk niet echt raad met deze dichter.

Eind vorig jaar verscheen de opvolger, de bijna honderd pagina’s dikke bundel ’De laatste slaaf’. Ik besloot dat deze bundel uitsluitsel moest geven over het talent van Al Galidi. Dat uitsluitsel is er nu, want hoewel de dichter net als in zijn vorige bundel ook nu kwistig strooit met misbaksels als ’omdat er geen weer is, / blijft het onweer’ of ‘Geef ons heden / onze dagelijkse paracetamol’, staat in dit boek zoveel poëzie die betoverend bizar en origineel is, dat ik hem de mishits vergeef. Niet omdat hij een immigrant is, maar omdat zijn poëzie in de loopgraven geschreven is en schuurt en geselt, helemaal in lijn met deze tijd, zonder eendimensionaal pamflettistisch te worden.

In de bundel positioneert Al Galidi zich als slaaf, waarbij hij in het nawoord verduidelijkt dat slavernij vroeger een nachtmerrie was en nu een droom, voor zestig miljoen zogeheten economische vluchtelingen, die wachten ’op stranden om naar hun slavernij gesmokkeld te worden’.

Het leidt tot series gedichten met bevreemdende titels als ’De laatste slaaf veegt zichzelf uit dromen’ en ’Darmen zijn een zweep in de hand van de honger’. Een titel als ’Het weer in de kelder’ dwingt dan weer een wrange lach af: je kunt je wel een voorstelling maken van wat er met slaven in kelders gebeurt. Al Galidi schrijft het zo: „In de kelder / ben ik geboren. / Terwijl ik uit de baarmoeder geduwd werd, / hoorde ik een politieagent: / ’Vanaf nu / kan alles wat je zegt / tegen je gebruikt worden. / je hebt het recht / om te huilen.”’

Ik ken heus wel sterker geschreven, meer solide Nederlandse gedichten, maar ik ken niet veel poëzie die zó eigenzinnig is en zo vrij is in haar taalopvatting. Wie anders dan Rodaan Al Galidi laat zijn hoofdpersoon kijken naar zijn moeder ’zoals een taxichauffeur / naar een rood stoplicht kijkt’. Wie anders dan hij legt een raar verband tussen pijn en shampoo: „Pijn en shampoo / zijn positief. / Ze reinigen, / de een vanbinnen, / de ander vanbuiten.” Wie anders dan hij wijt, zoals in het hierboven afgedrukte fragment uit een langer gedicht, het hangen van bladeren aan ’teleurstelling door de seizoenen’.

mailIcon print |