Zonder religieuze beleving geen religie – misschien is ze wel de kern ervan. Toch lees je er weinig over. In deze rubriek vertellen mensen over wat ze hebben beleefd. Vandaag: Willem van der Kooi.
Wat hebt u meegemaakt?
„In militaire dienst had ik katholieke vrienden. Ik vond hun kerk spannend en mooi, en ik begon hoe langer hoe meer te geloven dat de rooms-katholieke kerk een veel beter heilsinstituut is dan de hervormde kerk waar ik gedoopt was. Vooral vanwege de sacramenten. Ik deed communie en werd katholiek, maar mijn aanvankelijke enthousiasme voor de kerk verwaterde.
Ik werd kroegbaas in Amsterdam en heb vijf jaar op zee rondgezworven met mijn eigen zeilboot. En hoewel ik voor tachtig procent van de tijd in allerlei havens lag, bezocht ik bijna nooit een kerk. Als ik alleen was en op volle zee in slecht weer terechtkwam en dan wél eens een gebed deed, voelde ik me een huichelaar.
Na vijf jaar terug aan wal ging het goed mis. Ik kreeg een hartinfarct en er werd voor mijn leven gevreesd. Toen heb ik wanhopig om een priester gevraagd, want ik wilde nog het laatste sacrament van de ziekenzalving ontvangen. Ik ging zo meteen het hoekje om, en dan met veel schuld en lege handen bij de Heer aankomen, dat wilde ik niet.”
Hoezo schuld?
„Nadat ik rooms-katholiek was geworden, had ik de kerk meer dan dertig jaar links laten liggen, terwijl een goed katholiek eigenlijk elke zondag in de kerk moet zitten. Ik had vaak gespot met de kerk, en grapjes over ’popie-jopie’ gemaakt. Toen deze paus Johannes Paulus II Nederland bezocht, genoot ik van de rellen. Pas veel later zag ik hoe fout dit allemaal was en wat een groot man deze paus was.”
Verloste het sacrament u van uw schuld?
„Ik lag daar in dat bed, niet helemaal helder, toen de priester vroeg: ’Hebt u spijt van al uw fouten?’
Ik zei: ’ja’. Toen zei de priester: ’Dan beschouw ik dit als biecht, en spreek u vrij van al uw zonden.’
Dat is het mooie van de rooms-katholieke biecht: ook een onvolmaakt schuldgevoel geeft volledige vergeving. Terwijl bijvoorbeeld hervormden in hun gebed alleen van hun schulden verlost zijn bij een volmaakt berouw.”
Liet God u dankzij deze vergeving niet sterven?
„Direct na het sacrament viel ik in slaap. De volgende dag stond de cardioloog versteld.
’We hadden u opgegeven’, zei hij. En in plaats van dood, was ik aan de beterende hand. Ik zou niet durven stellen dat God me erdoorheen heeft geholpen, maar wel dat de enorme rust die over me was gekomen na het ontvangen van het sacrament zeker aan het herstel heeft bijgedragen.”
Werd u vanaf toen een trouwe kerkganger?
„Ik ben op zoek gegaan naar een parochie waar ik me thuis voelde, een echte katholieke dus, waar nog heiligenbeelden en biechtstoelen stonden, en waar gregoriaans werd gezongen, niet die verschrikkelijke nieuwe liederen als van Huub Oosterhuis.
Ik wilde me graag verdienstelijk maken voor de kerk, en vroeg of ik niet mensen, bijvoorbeeld bejaarden kon bezoeken die de kerk uit het oog hadden verloren, om ze over mijn hernieuwde geloof te vertellen. Dat ging alleen met een ’zending’ en daarvoor moest ik met bisschop Bomers gaan praten. Ik wist niet wat ik hoorde: met een bisschop praten!
Het was alsof Bomers me beter begreep dan ik mezelf.
’De kerk heeft grote behoefte aan diakens’, zei hij, ’maar meer nog aan priesters’.
Ik zei: ’Maar ik heb geen roeping’.
Bomers keek dwars door me heen. Hij zei: ’Dat denk jij, maar die heb je wel. Je bent je er gewoon nog niet van bewust.’
Ik ben zeven jaar gaan studeren en in 2000 ben ik tot priester gewijd.”
En hoe is het om nu zelf de sacramenten te bedienen?
„Ik vier de eucharistie zes keer per week. Met de grootst mogelijke toewijding mag ik de gaven van brood en wijn consacreren. Ik proef het niet, maar weet door mijn geloof: dit is werkelijk het bloed en het lichaam van Christus. Dan neem ik als eerste en vervolgens reik ik de hosties uit aan de gelovigen.
Terwijl ik ze aankijk, zeg ik: ’Het lichaam van Christus.’
De ontvanger zegt: ’Amen’, en ik geef hun de hostie.
Als ik dan zie dat iemand het niet goed doet, en misschien geen katholiek is, vraag ik het.
Zegt hij ’nee’, dan zeg ik: ’Ik mag u de hostie niet geven, maar ik mag u wel de zegen van Christus geven’.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.