opinie Deze week begon eindelijk het Cambodja-tribunaal, tegen vijf voormalige kopstukken van de Rode Khmer. De feiten zijn genoegzaam bekend. Bijna twee van de destijds zeven miljoen Cambodjanen verloren tussen 1975 en 1979 het leven onder de staatsterreur van Pol Pot. Zij stierven door uitputting, honger, foltering, executie.
Rond het tribunaal was vooraf heel wat te doen. Volgens sceptici is de waarde ervan gering, nu de verantwoordelijken allemaal dood of hoogbejaard zijn. Bovendien zouden de huidige machthebbers, zelf allerminst brandschoon, het tribunaal aan alle kanten frustreren.
Daar zal heus wat in zitten. Maar toen ik dinsdag in dit dagblad het interview las met Michiel Pestman, kon ik een kleine glimlach niet onderdrukken. Deze Nederlandse advocaat – op verzoek van een Cambodjaanse confrère bij het tribunaal betrokken – klaagde uitvoerig over de tegenwerking die hij ondervond, de corruptiepraktijken ter plekke. Een ’schertsvertoning’ dreigde het tribunaal volgens hem te worden. Bijna wilde hij er, las ik, de brui aan geven. Maar dat bleek ’een moeilijke afweging’. Want zonder westerse advocaten, zei hij, is zijn cliënt „aan de goden overgeleverd”.
Aan de goden overgeleverd – het stond er echt.
Voor de goede orde: de advocaat had het over Broeder Nummer Twee, alias Nuon Chea. Dit personage, nu dik in de tachtig, was de rechterhand van wijlen Broeder Nummer Een, alias Pol Pot. Tevens gold hij als de opperideoloog van het Rode Khmer-regime. Dat deed hij trouwens met verve. Aan een Deens groepje fellow-travellers – linkse westerlingen waren destijds dol op de heilsstaat die zich in Cambodja ontvouwde – legde hij in 1978 uit: „Zolang er klassenstrijd is of imperialisme, zal het geheime werk fundamenteel blijven. Alleen door in het geheim te opereren, kunnen we de situatie beheersen en de overwinning behalen over de vijand, die niet kan achterhalen wie wie is.”
Maar hoezeer het ’werk’ ook geheim moest blijven, er doken in de jaren die volgden belastende documenten op die zijn handtekening dragen. Zelf ontkent Broeder Nummer Twee uiteraard elke verantwoordelijkheid. Alleen dat er onder de Rode Khmer hier en daar werd gemoord, wilde hij in 1998 heus wel toegegeven. „Vanzelfsprekend spijt ons dat”, zei hij. „Niet alleen voor de mensen, maar ook voor de dieren. Zij stierven allemaal omdat wij de oorlog wilden winnen.”
In september 2007 werd deze grote denker gearresteerd en opgesloten. Een paar maanden later vroeg hij om vrijlating op borgtocht. In de gevangenis, was zijn klacht, ervoer hij „een gebrek aan vrijheid”.
Een gebrek aan vrijheid – het stond er echt.
Natuurlijk. Iedere verdachte, ook van de ergste misdaden, heeft recht op een eerlijk en fatsoenlijk proces. Toch begon er, ik kan het niet helpen, een vraagje te zeuren. Waarom zou een Nederlandse advocaat zich geroepen voelen juist dit heerschap te verdedigen? Waarom zou je zoiets überhaupt willen? Uit ambitie? Om de eer? Het prestige? Omdat het hier een reuze interessante casus betreft?
Verwachtingsvol begaf ik me naar de website van Böhler Franken Koppe Wijngaarden advocaten – het Amsterdamse kantoor waarbij Michiel Pestman is aangesloten. Wellicht bood die het antwoord. De advocaten blijken zich te afficheren als ’jong’ en ’bevlogen’. Hun kantoor beweegt zich naar eigen zeggen „als geen ander zo nadrukkelijk op het raakvlak van politiek en recht, daar waar de macht van de staat botst met het recht van het individu”.
En zo’n geëngageerde club zet zich in voor een regime dat zich specialiseerde in staatsterreur? Het vraagje, ik kan het niet helpen, blijft maar zeuren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.