De huidige campagne van Sire houdt rekening met hetgeen Fortuyn Nederland heeft gebracht aan maatschappelijke wrevel en ongeduld.
Een goede maat voor de werkelijke betekenis van ’samenleving’ is in hoeverre verschillen tussen mensen zich vrijelijk en vrijmoedig kunnen manifesteren zonder dat die verschillen ontaarden in geschillen, of geweld. Dat er verschillen zijn, is niet erg, en is zelfs vaak goed. Dat die verschillen af ten toe botsen, is onvermijdelijk. Het wordt wel een probleem wanneer het incasseringsvermogen steeds geringer wordt.
De opkomst van het Fortuynisme lijkt gepaard te zijn gegaan met de opkomst van een nieuw soort assertiviteit. Het ’ik zeg wat ik denk’ heeft geleid tot een ongekende, en zelfs ongezonde, belangstelling voor de grenzen van de uitingsvrijheid. Op de voet gevolgd door het ’ik doe wat ik zeg’, wat zich vaak uit als een ongeduldige, geïrriteerde, of verongelijkte claim om de eigen zin te krijgen. Of andersom, om zich niets aan te trekken van wat anderen zeggen of willen.
Dit gecombineerd met de traditionele Nederlandse lompheid en de nodige multiculturele spanningen produceert een bokkige samenleving, waarin mensen al snel klaar staan om anderen te beledigen, of zich door anderen beledigd te voelen. De publieke ruimte is daarvan het meest directe slachtoffer. Hedendaagse burgers zijn, zoals uit allerlei onderzoek blijkt, net zo tevreden met hun privéleven als ze ontevreden zijn met het publieke leven. Zelf hebben ze het goed voor elkaar, maar anderen maken er een zootje van.
Deze wrevel uit zich op brede en uiteenlopende wijze in de publieke sfeer: geweld in het openbaar vervoer, opgefokt gedrag op straat, hele en halve scheldwoorden in het parlement, bozige columnistenruzietjes in de kwaliteitsmedia.
Nogal wat mensen hebben tegenwoordig ’korte lontjes’: zij ontsteken snel in woede wanneer ze worden aangesproken op hun gedrag. Zeker in de publieke ruimte, zoals in het openbaar vervoer. Daar worden zij er op voor hen confronterende wijze aan herinnerd dat ze niet alleen maar van doen hebben met de fijne omgeving van hun aangename privĂ©leven, maar ook met de regels van het publieke leven waarin men rekening moet houden met anderen. Met name het openbaar vervoer vertegenwoordigt waarden waar veel moderne hyperindividualisten nog maar moeilijk raad mee weten: collectiviteit, van boven bepaalde regelmaat, soberheid en controle. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de politiek.
Natuurlijk is het ook niet toevallig dat bij geweldsincidenten vaak jongeren betrokken zijn, in de meeste gevallen mannen tussen de 14 en de 24. Die zijn altijd het meest heetgebakerd en antisociaal, zoals ook blijkt uit de misdaadstatistieken. Ook de straatcultuur van sommige groepen etnische jongeren speelt een rol. Hoewel anderzijds, blijkens de dramatische schietpartij in het Duitse Winnenden, daders van school shootings vaak blanke jonge mannen zijn. Belangrijk is echter om in te zien dat fenomenen van korte lontjes en asociaal gedrag zich niet louter beperken tot bepaalde groepen. Het zijn aandoeningen die door de hele samenleving heen zijn te vinden.
Dat zien we ook weerspiegeld in de recente campagne van Sire: onbewust asociaal zijn we allemaal. Ofwel: koning, keizer, admiraal, hufterig zijn we allemaal. Enkele jaren terug had Sire een heel wat dubbelzinniger campagne over het korte lontje. De boodschap van het filmpje was twijfelachtig. Want wat de gemiddelde burger uit het spotje van toen opstak is niet dat je anderen geen aanstoot moet geven, maar – op z’n best – dat je je gedeisd moet houden nadat je zulke aanstoot hebt gegeven. Of erger nog, dat je iemand die zulke aanstoot geeft, niet te hard moet vallen. Met andere woorden, er wordt juist begrip gevraagd voor de veroorzakers van normoverschrijdingen.
Dat is precies ook het probleem waarmee we nu zitten. Moeten we als gegeven aannemen dat we tegenwoordig allemaal onbewust asociaal zijn met een kort lontje, en ons derhalve richten op damage control nadat de onvermijdelijke botsingen en conflicten eenmaal hebben plaatsgevonden? Of moeten we meer ’bewust sociaal’ worden, ons lontje iets verlengen, en onze tenen wat verkorten? Het minst rechtlijnige, maar meest realistische antwoord is: beide. Koning, keizer, admiraal, schipperen moeten we allemaal.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.