Mensenhandelaren hebben in Nigeria weinig te duchten. Slachtoffers doen liever geen aangifte. Uit angst, of uit schaamte. Slot van een tweeluik.
Bart Zuidervaart
Het kwaad heeft een gezicht. Dat van een lange, kale Nigeriaan, 44 jaar, die de naam Solomon O. draagt. Voor een man die door Justitie wordt beschuldigd van grootschalige vrouwenhandel en uitbuiting, oogt hij opvallend vrolijk.
Solomon O. is de belangrijkste verdachte in de geruchtmakende Koolvis-zaak. Op deze ochtend enkele dagen geleden staat hij met tien anderen terecht in de rechtbank in Zwolle. O. zou de spil zijn in een criminele organisatie die zeker honderd Nigeriaanse meisjes tot prostitutie in Europa heeft gedwongen. Hoeveel kwaad hij precies heeft gedaan, wordt later dit voorjaar duidelijk, wanneer het megaproces verder gaat.
En het verdriet? Heeft dat ook een gezicht? Waar zijn de vele tientallen vermoedelijke slachtoffers, de Nigeriaanse meisjes die tewerk zijn gesteld op tippelzones in Turijn en Napels? Er zijn er hooguit twintig teruggevonden. Waar de rest is? Nederland weet het niet, Italiƫ evenmin. Zijn er meisjes teruggekeerd naar Nigeria?
Achter een groot hek, middenin de Nigeriaanse miljoenenstad Lagos, staat het kantoor van Naptip. Dat is de Nigeriaanse overheidsorganisatie die mensenhandel bestrijdt. De directeur heet Godwin Morka, een kleine, vriendelijke man. Wanneer hij de hand schudt, valt de stroom uit. „Welkom”, zegt hij lachend.
Het kantoor van Morka bevindt zich in het opvanghuis van Naptip. Het is een vervallen pand. Bedden zijn kapot, er is geen airconditioning. Elektriciteitsdraden steken uit de muur. Hier worden slachtoffers van mensenhandel opgevangen. Wanneer ze belastend verklaren over een handelaar, probeert Naptip deze strafrechtelijk te vervolgen.
Het is rustig vandaag. In het opvanghuis, waar plek is voor tweehonderd mensen, zijn twaalf plekken bezet. Er loopt een jongetje van zes rond, misbruikt door zijn vader. De rest bestaat uit meisjes. Of zij komen uit Europa, reeds uitgebuit als prostituee, of ze zijn tegengehouden op weg naar het beloofde continent.
Natuurlijk kent Morka de Koolvis-zaak, zegt hij. Nederland en Nigeria hebben nauw samengewerkt om de volledige organisatie op te kunnen rollen. De meeste verdachten zijn Nigeriaan. Kent hij ook de slachtoffers? Nee, zegt de directeur.
Dan vertelt Morka een somber verhaal over een strijd die moeilijk te winnen is. Over slachtoffers die zijn opvanghuis nooit bereiken, maar terugkeren in de mensenhandelmachine. Soms gedwongen, soms vrijwillig. Over meisjes die uit angst voor de wraak van hun handelaren geen aangifte doen.
Enkele jaren geleden ving Naptip een meisje op, dat twaalf jaar seksslaaf was geweest bij een Nigeriaanse man in Nederland. Ze werd onmiddellijk uit het opvanghuis van Naptip gehaald door iemand die zich voorstelde als haar broer.
Een vrouw, slachtoffer van gedwongen prostitutie in Duitsland, arriveerde op de luchthaven in Lagos. Het had Naptip maanden werk gekost om haar zover te krijgen. Een man die nota bene in hetzelfde vliegtuig zat, deed zich tegenover Naptip voor als familie. Hij was overduidelijk de handelaar. De vrouw ging met hem mee. „Wat kunnen wij dan doen”, zegt Morka gelaten. „Onze handen zijn gebonden.”
Wanneer een slachtoffer toch aangifte doet, volgen er meestal bedreigingen richting het meisje of haar familie. Alleen het meest vastberaden slachtoffer trekt de belastende verklaring dan niet in.
In Benin City, centrum van de vrouwenhandel, op driehonderd kilometer van Lagos, is het verhaal niet anders. Aan de aandacht voor het probleem ligt het niet. Organisaties met prachtige namen en goede bedoelingen buitelen over elkaar heen. Cosudow (Committee for the Support of the Dignity of Women) begeleidt sinds 1999 meisjes bij hun terugkeer naar huis. Sindsdien zijn volgens Cosudow enkele honderden slachtoffers herenigd met hun ouders.
Dat werk lijkt makkelijker dan het is. Meisjes geven valse adressen op omdat ze niet terug willen. Soms uit schaamte voor wat ze hebben gedaan. Soms omdat ze terug willen naar Europa, geld verdienen. De familie zit meestal niet te wachten op de verdwenen dochter. Zij was immers een goede bron van inkomsten.
Het kost Florence Nwanoma van Cosudow de grootste moeite om de ouders en het meisje te overtuigen dat Europa niet het paradijs is. „Maar hoe redeneer je daar tegenop? In Benin City word je aangestaard door armoede.”
Cosudow heeft in Benin City een eigen opvanghuis. Daar kunnen meisjes verblijven terwijl met de familie wordt gesproken over de terugkeer van de dochter. Ze kunnen er ook werkervaring opdoen in een kapsalon, naaiatelier of keuken. Deze dag is het huis, met 20 bedden, leeg.
Nigeria, en Benin City in het bijzonder, heeft een lange traditie in het verhandelen van vrouwen. Al eeuwen geleden werden in arme gezinnen kinderen weggegeven aan de rijkeren. Daar werd de kiem gelegd voor de hedendaagse mensenhandel. Een belangrijke oorzaak is dat polygamie er nog altijd op grote schaal voorkomt. Mannen die meerdere kinderen hebben bij hun drie vrouwen, kunnen niet alle monden voeden. De oplossing is een dochter die als prostituee in Europa werkt.
Wat kunnen de organisaties in Nigeria zelf nog doen? Jane Osagie is hoofd van Irrrag (International Reproductive Rights Research Action Group), een instantie die vecht voor vrouwenrechten. Zij spreekt al over een verloren generatie. Kinderen horen van hun ouders te erven, zegt ze, in Benin City erven de ouders van hun kinderen. Irrrag richt zich meer op jonge kinderen, waar mensenhandelaren zich nog niet voor interesseren. Grootscheepse voorlichtingscampagnes moeten de jeugd afhouden van een Europees avontuur.
Op de Eresoyen Primary School aan de rand van de stad verblijven honderden potentiĆ«le slachtoffers. Jane Osagie houdt er op een warme donderdagmiddag in maart een vlammende toespraak over de gevaren van Europa en over vreemde mannen die mooie voorspellingen doen. Het is maar zeer de vraag in hoeverre de boodschap aanslaat, beseft Osagie. „Veel meisjes denken dat ze gemakkelijk rijk kunnen worden door simpelweg op hun rug te liggen.”
Alle hardwerkende organisaties beseffen ook dat voorlichting en begeleiding van de meisjes alleen niet de oplossing vormen. Het zijn de criminele bendes die te veel vrij spel hebben.
Sinds 2003 zijn er in Nigeria 47 mensen voor vrouwenhandel veroordeeld. Het cijfer zal weinig indruk maken op de handelaren, die inmiddels vele duizenden vrouwen naar Europese bordelen hebben gelokt. Naptip pakt meestal de kleine jongens: de ’ronselaar’, die de meisjes benadert, en de ’trolley’, die zorgt voor de logistiek naar Europa. De kopstukken blijven buiten schot. Een bende mensenhandelaren valt zelden om. De Koolvis-zaak is een bijzondere uitzondering daarop.
De obstakels zijn groot, zegt Funke Abiodun, baas van Naptip in Benin City. De bureaucratie is enorm. Het gaat als volgt, zegt Abiodun: „Naptip bewaakt een slachtoffer totdat ze eindelijk naar de rechtbank kan voor een getuigenverhoor. Daar zegt de rechter: ’Kom een ander keer maar terug, ik heb nu geen tijd’. De volgende dag is het meisje uit de opvang verdwenen. Terug naar Europa, of naar familie.” In beide gevallen is de kans aanzienlijk dat ze opnieuw ten prooi valt aan een mensenhandelaar. Het probleem is zo oneindig.
Zolang de meisjes te bang zijn om hun handelaren aan te pakken, zolang ze liever verdwijnen uit onze opvang om opnieuw het geluk in Europa te zoeken, winnen we het niet, zegt Funke Abiodun. Het kwaad kan niet worden bestreden zolang het verdriet onzichtbaar blijft.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.