*

 

Geen verjubeling opbrengst Essent

Marc Calon e.a. − 22/01/09, 00:00

Het voortbestaan van Essent is met verkoop aan betrouwbare partner RWE beter gewaarborgd dan ooit.

Waarom verkoopt de overheid haar energiebedrijven? Dat houdt iedereen bezig sinds bekend werd dat Essent mogelijk verkocht wordt aan het Duitse concern RWE. Voor de verkoop pleiten genoeg argumenten.

Door wet- en regelgeving vanuit Brussel en Den Haag is er een Europese energiemarkt ontstaan, daar is niets meer aan te veranderen. De laatste stap was de goedkeuring door het parlement van de splitsingswet die energiebedrijven verplicht zich op te delen in een commercieel deel en een netwerkbedrijf. Commerciële bedrijven die elektriciteit produceren, leveren en verhandelen, moeten functioneren op die Europese markt. De netwerkbedrijven blijven in handen van de overheid. Met deze ontwikkeling loopt Nederland in Europa voorop. Het is overigens onduidelijk of bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk deze richtlijn in 2010 zullen steunen.

Zeker is wel dat Essent voor die Europese markt te klein is en dat de splitsing de kwetsbaarheid van het bedrijf heeft vergroot. Het bedrijf is nu winstgevend en dat komt vooral door de internationale handel in energie. Maar dat kan op zeker moment echter ook tot verliezen leiden. Die verliezen zijn uiteindelijk voor de aandeelhouders. Is het afdekken van commerciële verliezen een taak voor gemeenten en provincies? Wij denken van niet.

Een ander punt is dat je voor het opwekken van elektriciteit brandstoffen nodig hebt. Die worden vooral gekocht op de internationale markt. Essent is op die markt een kleine speler, RWE is dat niet. Samen behoren ze tot de top vier in Europa. Dat levert schaalvoordelen op die leiden tot een redelijke prijs en leveringszekerheid. Nederland is al een forse importeur van buitenlandse stroom. Wij kunnen niet met een uitsluitend Nederlands bedrijf met Nederlandse centrales zelfvoorzienend zijn. Toegang tot die markt vraagt om schaal en inkoopkracht. Zelfs de vorming van een staatsenergiebedrijf – overigens afgewezen door het kabinet – levert in dat opzicht voor de verdere toekomst geen garantie.

Nu al wekken centrales die eigendom zijn van dochterondernemingen van buitenlandse bedrijven 40 procent van de Nederlandse elektriciteit op. Die centrales staan niet in verre oorden. Ze staan hier, er werken Nederlanders, ze werken onder Nederlandse wet- en regelgeving en nemen deel aan afspraken met de sector over duurzame energie. De kennis en kunde om energie op te wekken verdwijnt met de verkoop niet uit Nederland. RWE heeft zich voorgenomen om 2000 megawatt met windenergie te produceren en van biomassa gebruik te maken in de nieuwe centrale in Eemshaven.

Door de elektriciteitskabels en gasleidingen in aparte bedrijven onder te brengen die in handen van de overheid blijven, kan iedereen kiezen welke leverancier voor hem de beste is. Dat netwerkbedrijf, Enexis, blijft voor 100 procent in handen van de provincies en de gemeenten. De overheid blijft van hoogspanningsnet tot stopcontact verantwoordelijk. Aandeelhouders van een energiebedrijf hebben, op grond van de wet, geen invloed op de prijs van elektriciteit. Bovendien is er toezicht op de energiemarkt.

Het voortbestaan van Essent is gegarandeerd door een goede partnerkeuze. Het bedrijf blijft bestaan als de RWE-dochter voor de Benelux. De vestigingen in Den Bosch, Zwolle en Arnhem blijven bestaan. De werkgelegenheid blijft gegarandeerd en dat is ook van belang voor de toeleveranciers van Essent. Net zo goed geeft de toekomstige partner van Essent garanties voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Dat geeft een solide basis voor de toekomst en het behoud van werkgelegenheid en kennis in Nederland.

In de huidige discussie zijn er twijfels over de al dan niet verstandige inzet van de inkomsten uit de verkoop van Essent. Die manier van discussiëren voelt niet goed, om het voorzichtig te zeggen. Het geld dat binnenkomt zal allereerst moeten dienen om het netwerkbedrijf Enexis een goede start te geven, investeringen en innovatie mogelijk te maken. De gemeenten en provincies moeten ook in de toekomst zorgen voor een sluitende begroting en voldoende inkomsten. Beleggingen van speculatieve aard zijn daarmee uitgesloten. Het geld dat overblijft – en dat zijn zeker niet de miljarden waarover nu gespeculeerd wordt – zetten aandeelhouders in voor investeringen met een maatschappelijk rendement. Het belang van onze inwoners staat daarbij voorop. Die discussie voeren wij uiteindelijk in de gemeenteraden en Provinciale Staten. Van verjubelen is geen sprake.

Voor aandeelhouders staat het volgende voorop: leveringszekerheid, beheersbare prijzen voor de consument, kansen op een duurzame energievoorziening, behoud van onderneming en werkgelegenheid en het belang van de publieke sector. Angst is bij een keuze een slechte raadgever. Wie krampachtig vasthoudt aan wat hij vandaag bezit, heeft morgen niets meer.

De medeondertekenaars zijn gedeputeerden en lid van de aandeelhouderscommissie van Essent: Theo Rietkerk (Overijssel), Annemarie Moons (Noord-Brabant), Herman Vrehen Limburg).

mailIcon print |