*

 

Radicalisering is een beproeving

Rob Pietersen − 22/01/09, 00:00

Radicaliserende moslimjongeren zijn geen irrationele gekken, zeggen onderzoekers die twaalf van die jongeren doorlichtten. Ze voelen zich uitverkoren en niet begrepen door de rest van de wereld, andere moslims incluis.

Ze voelen zich uitverkoren, maar zijn uitgekotst door de maatschappij, de moskee en soms zelfs door hun eigen familie: de salafi-jihadi: Wie zijn die ’irrationele gekken’ in hun zelfverkozen isolement?

Op de nieuwjaarsreceptie van Forum, instituut voor multiculturele ontwikkeling, wordt vandaag de publicatie ’Salafi-jihadi’s in Amsterdam’ gepresenteerd. Onderzoekers volgden twaalf radicaliserende Marokkaanse moslimjongeren omdat het ’om extreme acties te voorkomen belangrijk is te weten wat zulke jongeren denken en waarom ze denken wat ze denken’.

Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, was een salafi-jihadi. De Hofstadgroep steunde op dat gedachtegoed: elk middel is geoorloofd, ook geweld, bij het nastreven van islamisering. De samenleving heeft alle reden zich zorgen te maken over jongeren die die kant op radicaliseren en die worden gezien als ’irrationele gekken’.

Dat laatste is niet terecht zeggen de onderzoekers, geleid door politicoloog Jean Tillie van de Universiteit van Amsterdam. „Ons onderzoek laat zien dat die jongeren niet handelen vanuit een irrationele, onverklaarbare religieuze drang, maar vanuit behoeften die te maken hebben met hun persoonlijke en maatschappelijke omstandigheden.”

Tillie berekende eerder dat twee procent van de Amsterdamse moslims – ruim 1400 jongeren – gevoelig is voor radicalisering. Bij het veldwerk in drie Marokkaanse moskeeën stuitten de onderzoekers op twaalf jongeren (tussen de 17 en 22 jaar, middelbaar tot hoog opleidingsniveau) die zij volgden in het radicaliseringsproces. Hoe ze van ’gewone kwajongens’ met plat-Amsterdamse tongval veranderden in vrome moslims die Arabisch leren.

De onderzoekers concluderen dat voor de salafi-jihadi drie drijfveren gelden: behoefte aan zingeving, behoefte aan binding en acceptatie en behoefte aan rechtvaardigheid (het onderzoek: ’Hoe er nu over de islam wordt gesproken ervaren ze als onrecht’).

Vaak wordt bij het radicaliseringsproces van jonge moslims omstreden imams in ultraorthodoxe moskeeën, rondreizende salafistische koranleraren of ronselaars voor radicale islamitische groeperingen een rol toebedeeld.

Bij de ’twaalf van Amsterdam’ was daar geen sprake van. Zij zochten zelf, zo stellen de onderzoekers, naar een aansprekende religieuze invulling en vonden voortrekkers in hun groep. Ze luisterden naar Moustapha die steeds weer zei dat „de salafi-jihadi’s de laatste moslims zijn die de waarheid nog hardop durven zeggen en niet bang zijn in de gevangenis te belanden of gedood te worden”.

Radicaliserende jongeren raken sociaal gezien steeds geïsoleerder. Ze botsen met hun ouders die eerst nog trots zijn op de toegenomen religiositeit van hun zonen. Een vrome jongen zal geen gekke dingen doen, niet het slechte pad op gaan en ook niet volledig vernederlandsen, denken ze. Maar dat positieve gevoel slaat om als zoonlief een baard laat staan en een jurk gaat dragen. Ouders beseffen dat dat de kansen op een goede baan verkleint.

Het onbegrip over het geloof is overigens wederzijds. Jongeren kijken neer op de geloofsbeleving van hun ouders. Ze zien hun ouders als gewoonte- of cultuurmoslims die niet de pure islam belijden, maar hun geloof vermengden met de traditie. Volgens de islam moeten de salafi-jihadi’s hun ouders respecteren, maar in de praktijk vinden ze dat lastig.

De onderzoekers zagen dat de jongeren die naar drie moskeeën gingen weinig contact hadden met andere moskeebezoekers. „Oudere mannen die klagen over de gestegen ziektekosten”, zei een van de jongeren over hen. Ook hier speelt het verschil in geloofsbeleving met de oudere, vaak lager opgeleide generatie.

Als één van de moskeeën bezoek krijgt van de veiligheidsdienst AIVD, die de jongeren volgt, worden ze bij het bestuur geroepen en gewaarschuwd.

Maar die belangstelling van de AIVD, het idee dat ze als terroristen worden gezien, vervult ze juist met trots, zien de onderzoekers. Maar het zorgt er ook voor dat het isolement erger wordt, de groep hechter en dat ze alleen elkaar nog vertrouwen. Ze keren zich af van de meeste moslims die in hun ogen gemakzuchtig zijn en alleen geloven wat hen uitkomt. Oude vriendschappen verwateren als de salafi-jihadi’s in hun radicaliseringsproces gaan uitstralen dat ze de laatste moslims op het rechte pad zijn.

De twaalf leven in een subcultuur, de weg terug raakt steeds verder uit zicht, zien de onderzoekers. Het wordt steeds moeilijker om terug te gaan wanneer voor een bepaalde stap grote offers gebracht zijn, bijvoorbeeld het verlies van veel sociale contacten.

Ze voelen zich uitverkoren, hebben hun eigen rolmodellen, onderscheiden zich qua uiterlijk en kleding, ze hebben hun eigen normen en waarden, vooral met betrekking tot de omgang met de andere sekse in deze ’onzedelijke maatschappij’.

Ze hebben het idee de underdog te zijn. Dat ze als salafi-jihadi’s bedreigd worden, niet begrepen door de rest van de wereld, inclusief de andere moslims. Ze zien dit als beproeving, als hun test. De profeet Mohammed zou 1400 jaar geleden hebben voorspeld dat er ooit een kleine groep ’ware moslims’ ontstaat die het moeilijk zou hebben en wordt onderdrukt.

Door te denken aan de ontberingen die de profeet en zijn metgezellen hebben doorstaan, relativeren ze hun eigen problemen. Er zijn ook levende voorbeelden van moslims die volgens de radicaliserende jongeren op het pad van de waarheid zitten. Dat zijn islamitische geleerden, martelaren die gedood zijn, in de gevangenis zitten of op de vlucht zijn. Moslims als Al Zarqawi (de Iraakse leider van Al Kaida, gedood bij een Amerikaanse operatie) en Bin Laden vinden ze helden, omdat zij het wereldse leven hebben opgegeven om te gaan strijden voor de islam.

Ze zijn diep geraakt door het gevoel dat overal in de wereld moslims onrecht angedaan. Ze vinden dat gewelddadige acties ter verdediging in Palestina, Irak, Afghanistan, Tsjetsjenië, Kasjmir, Algerije geoorloofd zijn. Net zoals ze de moord van Mohammed B. op Van Gogh goedkeuren. Het slachtoffer schold hun profeet uit, zorgde voor maatschappelijke chaos en verbrak ’het verdrag’ met Nederland. Dat verdrag luidt volgens hen dat er geen jihad wordt gevoerd in landen waar moslims veilig kunnen leven en niet aangevallen worden.

De wereld is volgens de salafi-jihadi verdeeld in moslims en ongelovigen, in dar al-islam (huis van de islam, het gebied waar islamitische heersers regeren en waar de sharia – islamitische wetgeving – geldt) en dar al-harb (huis van oorlog, gebied waar niet-islamitische heersers regeren). Ook in Nederland proeven ze een diepe haat jegens de islam, ze vermoeden dat ongelovigen willen dat moslims hun geloof moderniseren en dat zien ze als bedreigend. Toch voeren ze dus geen jihad in Nederland en vinden ze de ideale samenleving die geregeerd wordt met de sharia ’slechts een abstract idee’.

Maar meer nog dan aan ongelovigen of anders gelovigen ergeren de salafi-jihadi’s zich aan dwalende moslims: hun ouders, hun vroegere vrienden, andere moskeebezoekers. ’Laffe’ moslims die niet begrijpen dat de aanslagen op Amerikanen in Irak rechtvaardig zijn, die alleen kiezen voor de ’makkelijke aspecten van de islam’ en niet voor jihad. Die willen zij ontmaskeren, anderen overtuigen van ’de ware islam’.

Het gevoel van onrechtvaardigheid bij groepen moslims weg te nemen, zou helpen in de strijd tegen radicaliserende jongeren. Ook is het belangrijk de binding met de omgeving van migranten te bevorderen, moslimjongeren democratische alternatieven bieden en meer aandacht te geven in hun zoektocht naar hun identiteit. Daarnaast waarschuwen de onderzoekers voor het isolement: „Dat de jongens uit moskeeën worden gezet uit angst voor een slechte naam en uit angst voor de AIVD, is vanuit dat oogpunt geen goede ontwikkeling. Er moet geprobeerd worden de jongeren zo veel mogelijk bij de samenleving te houden om diversiteit in meningen te stimuleren en de stap ’terug’ zo klein mogelijk te houden.”

mailIcon print |