*

 

Rente verschilt nogal binnen eurozone

Jan Kleinnijenhuis − 21/01/09, 00:00

De euro is een baken van rust in de financiële crisis. Maar de verschillen tussen landen onderling zet de gemeenschapsmunt van binnenuit onder druk.

De financiële crisis laat zich langzaam maar zeker voelen in Athene, Rome, Madrid en Dublin. Net –of misschien wel juist– nu de verschillende overheden in de eurozone met grote stimuleringspakketten de economische malaise te lijf willen gaan, moeten de landen plots flink meer betalen om op de kapitaalmarkt te kunnen lenen. Het verschil in de rente die het stabiele Duitsland betaalt, en dat van bijvoorbeeld Italië, is de afgelopen maanden tot recordniveaus opgelopen.

Maandag maakte kredietbeoordelaar Standard & Poor’s bekend de kredietstatus van Spanje te verlagen. Vorige week was dat al gebeurd bij Griekenland, en ook de euroleden Portugal en Ierland staan op de lijst om een afwaardering te krijgen. Het is dit soort berichten dat beleggers hogere rentes doet eisen om de schuld van een land op zich te nemen. Maar feitelijk nemen de renteverschillen al veel langer toe.

„Landenrisico binnen de euro is terug”, zegt Marc van Heel, directeur Benelux bij 's werelds grootste obligatiebelegger Pimco. Waar in de eerste tien jaar van de euro beleggers de verschillende economieën steeds dichter naar elkaar toe zagen groeien, zien zij nu plots weer de verschillen. En dus betaalt Griekenland nu bijna het twee keer zoveel rente op zijn schuld als Duitsland, voor welk land lenen het goedkoopst is.

„De impact van de kredietcrisis per euroland is afhankelijk van de concurrentiepositie van die landen, en hoe die in de afgelopen jaren is verbeterd”, zegt Van Heel. „Sommige landen hebben het voordeel van de euro, in de vorm van lagere rentes, niet gebruikt om de overheidsfinanciën op orde te brengen, maar uitgegeven.” Nu de financiële crisis toeslaat en overheden weer fors moeten lenen, wil de markt daar ineens een hogere rente voor terugzien.

Toch zijn de verschillen in rente, en dus de mate van risico die beleggers gecompenseerd willen zien, opmerkelijk te noemen. Waar beleggers voor de euro nog het risico liepen dat de waarde van de munt zou dalen (vooral de zuidelijke landen devalueerden met enige regelmaat de eigen munt), is dat risico met de euro verdwenen. Het risico dat beleggers lopen, is slechts dat landen hun schulden niet aflossen of de eurozone verlaten.

Beide factoren zijn zo goed als onwaarschijnlijk. Wanbetaling maakt van het land in kwestie een paria op de kapitaalmarkt. Argentinië, dat in 2001 zijn schuld niet langer kon terugbetalen, heeft nog steeds grote moeite om internationaal kapitaal aan te trekken. Het verlaten van de euro en herinvoering van een eigen munt, is zo mogelijk nog onwaarschijnlijker. De kosten daarvan zijn op zich al enorm, maar beleggers zullen van het land met de nieuwe munt een nog veel hogere rente eisen.

De verschillen in rente, zo stelt Van Heel, zijn vooral te verklaren uit de verschillende uitgangsposities waarin landen verkeerden toen de crisis uitbrak. Landen met tekorten op de begroting hebben nu bijvoorbeeld weinig ruimte om de klap op te vangen, vanwege Europese grenzen aan het tekort. „De markt vertaalt deze verschillen in hogere rente. Dat drijft de landen verder uit elkaar, en maakt pijnlijke ingrepen in de reële economie onvermijdelijk. Het uitblijven van maatregelen kan op langere termijn de landen verder uit elkaar drijven, en zo de monetaire unie onder druk zetten.”

mailIcon print |