*

 

’Wanneer slaap ik in het vriesvak?’

Jetteke van Wijk − 21/01/09, 00:00

In Ramallah rinkelt de telefoon zonder ophouden. Gazanen in nood bellen het nummer dat twee weken geleden nog de Kindertelefoon was.

Jalal Khader is de uitputting nabij. De laatste keer dat hij in zijn eigen bed sliep, was elf dagen geleden. Dat was de laatste keer dat hij een gezonde nachtrust genoot. Sindsdien vertoeft de hulpverlener onafgebroken op zijn kantoor in Ramallah en knapt in de ochtenduren – indien mogelijk – een uiltje naast de telefoon, klaar om op te nemen zodra iemand vanuit de Gazastrook belt om bijstand.

Khader en zijn collega Ohaila Sjomar beheren wat tot voor kort de Palestijnse Kindertelefoon was. In de tweede week van de Gaza-oorlog echter, besloot het duo iets wezenlijks te doen voor de bewoners van het belegerde gebied. Er kwamen meer lijnen en de openingsuren werden opgeschroefd van 8 uur per dag naar 24. Het nummer 121, gratis vanaf elke soort telefoon, werd gepromoot op de plaatselijke radio en liep voortdurend mee in de nieuwsbalk op televisie als hulplijn voor Gazanen in psychosociale nood.

Sindsdien rinkelt de telefoon zonder ophouden. In het begin, zegt psychologe Sjomar, draaiden de ongeveer duizend gesprekken per dag om trauma’s. „Bedplassen, nachtmerries, huilen, agressie. Kinderen die niet kunnen slapen door het constante geluid van onbemande spionagevliegtuigen. Bejaarden met psychosomatische klachten. Ouders die schreeuwen tegen hun plots onhandelbare kroost.”

Daarna kwamen telefoontjes van Gazanen die geen melk, voedsel of luiers hadden en hoopten op hulp. Palestijnen die hun huis verloren hadden en ’s nachts op straat sliepen, belden om onderdak. Er kwamen vragen over bescherming tegen fosforbommen en wat te doen als er in de buurt van de woning een niet-geëxplodeerde bom ligt. Allemaal kwesties waarop Khader, Sjomar en hun drie hulplijnvrijwilligers niet zijn getraind, zodat naar antwoorden moest worden gezocht.

Khader is daarbij woest op internationale hulporganisaties als de Verenigde Naties. „Ik heb een prachtige lijst met telefoonnummers”, fulmineert hij. „Dus dan denk je in elk geval de daklozen te kunnen helpen. Die VN-ers hebben een goed salaris, rijden rond in dure auto’s, verblijven in vijfsterrenhotels – maar als je ze nodig hebt op de grond, geven ze gewoonweg niet thuis.”

Soms bellen Gazanen de hulplijn onder het voorwendsel te willen praten over school of examens. „Maar als je dan even doorvraagt”, zegt Khader, „blijken ze verschrikkelijke dingen te hebben meegemaakt.” Zo hebben sommige bellers vrienden uit elkaar zien worden gereten door bommen en wanhopig met hun lichaamsdelen rondgerend. Anderen worden in hun dromen door de doden achtervolgd.

Een zevenjarig jongetje, dat in de koelcel van het lijkenhuis afscheid had genomen van een omgekomen familielid, bleef zijn moeder maar vragen wanneer het zijn beurt was om in het vriesvak te slapen. En tijdens het hoogtepunt van de oorlog bleven de hulpverleners een hele nacht lang in contact met een aantal kleine kinderen dat alleen thuis bleek te zijn; hun ouders waren op zoek gegaan naar voedsel en drinken, maar konden de woning niet meer bereiken vanwege de bombardementen.

Om de medewerkers te helpen de verhalen te verwerken, is er een eigen therapeute in het gebouw. Ook gaat de lijn na middernacht een half uurtje dicht, zodat de hulpverleners even met elkaar kunnen praten over de dag. Toch is een aantal vrijwilligers al noodgedwongen gestopt, omdat ze het werk niet meer aankonden.

Volgens psychologe Sjomar is er structurele, jarenlange psychologische bijstand nodig voor de Gazastrook om in elk geval te voorkomen dat de generatie onder de achttien – ruwweg de helft van de bevolking – verloren gaat. „De hele samenleving is verwoest”, zegt Sjomar, „en vanuit hier kunnen we alleen maar eerste hulp bieden.”

mailIcon print |