*

 

’We hebben het kwaad kunnen overleven’

George Marlet − 19/01/09, 00:00

Sybine Jansons verzette zich tegen haar ontvoerder en moest dat met de dood bekopen. Haar vader schreef een boek over de ’micro-oorlog’ waarin het gezin tien jaar geleden belandde. Vandaag komt het uit.

’Sybine en ons gezin: Sybine is gek op detectiveromans, en kijkt op tv ook graag naar detectives en naar Baantjer. Ook Opsporing Verzocht is een favoriet programma. Maar dan vraagt ze wel altijd of ik er even bij kom zitten.’

Vandaag gaan Arjen, Tineke en Hanna Jansons naar de plaats waar Sybine precies tien jaar geleden verdween en naar de plek waar ze vijf weken later dood werd teruggevonden. Sinds 2000 is het een jaarlijks terugkerend ritueel om het bos tussen Doorn en Maarn te bezoeken en het recreatieterrein in de buurt van Breukelen. Anders dan voorgaande jaren mogen fotografen de herdenking nu wel registreren. Tien jaar na de geruchtmakende verdwijning van de toen 13-jarige Sybine vindt Arjen Jansons (1955) het tijd om via de media het publiek dichterbij te laten dat in 1999 de gebeurtenissen van een discrete afstand volgde.

’Dinsdag 19 januari 1999:

De grootmoeders reageren met wat ik het best in een Fries woord kan uitdrukken: ’Yslijk’, dat afgrijselijk betekent. (-) Voor ik ga slapen kijk ik nog even naar buiten en zie en hoor de helikopter in de lucht hangen. Dat deze hele machinerie voor mijn kind in de weer is, raakt me en geeft me hoop, maar tegelijkertijd ben ik somber en hou ik ernstig rekening met de mogelijkheid dat we haar niet meer levend terugzien.

21 januari 1999:

Dan kun je denken: waar maak je je druk over, laat de politie de zaak toch oplossen, het is hun werk. Maar voor mij is het meedenken met het recherchewerk een kwestie van overleven.’

Op de locaties in Maarn en Breukelen staan geen gedenktekens. Het echte monument voor Sybine is het boek ’In het bos zijn de wilde dieren’, waarin Arjen Jansons openhartig beschrijft wat er is gebeurd sinds zijn dochter op dinsdag 19 januari 1999 niet meer thuis kwam. „Mensen mogen ook de spanning meebeleven die wij gekend hebben.’’

Sybine werd op weg van het Revius-lyceum in Doorn naar huis in Maarn ontvoerd door Martin C., wegens goed gedrag vervroegd vrijgelaten na een straf voor verschillende verkrachtingen. Waarschijnlijk heeft C. haar seksueel misbruikt en daarna om het leven gebracht.

Wat er tijdens Sybines laatste uren is gebeurd, blijft gissen. C. heeft dat nooit willen vertellen, ook niet toen de ouders en het zusje van Sybine hem in april 2007 in de gevangenis bezochten. „Wat is er met Sybine gebeurd?’’, wilden Tineke en Hanna weten. Arjen Jansons: „Hun toon was zo indringend, daar sprak een heel duidelijk verwijt uit.’’ Martin C. kwam weer met het verhaal dat Sybine per ongeluk zou zijn gestikt toen hij haar uit angst voor ontdekking had verborgen op de zolder van zijn huis in Nieuwegein.

„Uit zijn manier van spreken kon ik opmaken dat hij niet de waarheid sprak. We hebben wel meer duidelijkheid gekregen over het eerste contact: C. heeft zich vermomd en uitgegeven als politieagent.’’

24 januari 1999:

De kans haar levend terug te zien schat ik nu op maximaal vijftig procent. Ik wil Sybine koste wat kost terugvinden, dood of levend.

27 januari 1999:

Tineke ervaart het als een schande dat ten overstaan van heel Nederland gesuggereerd wordt dat onze dochter bij ons weggelopen is. Dat roept een zeer vertekend beeld op van ons harmonieuze gezin.’

De vermissing van Sybine leidde tot een ongekend grote zoekactie. In de eerste uren kwamen in haar woonplaats Maarn tientallen mensen op de been om te gaan zoeken. Door die spontane actie raakte de politie overtuigd van de ernst van de zaak.

De dagen na de verdwijning kamden de Mobiele Eenheid en het – in Doorn gelegerde - Korps Mariniers het bosgebied uit. „Op microschaal was het voor ons gezin net zo erg als een oorlog’’, zegt Jansons. Zijn boek ziet hij als ’een soort oorlogsdocumentatie’: voor het nageslacht vastleggen wat er gebeurde.

In die beeldspraak kan Sybine als ’verzetsheld’ worden getypeerd omdat ze verzette en dat met de dood moest bekopen. Onder vingernagels werd DNA-materiaal gevonden dat uiteindelijk naar Martin C. leidde.

„Mijn vrouw heeft het er weleens met Sybine over gehad wat ze zou doen als ze lastig gevallen zou worden. Sybine zei: ’Een flinke duw met de knie.’ Maar alls je zo’n doorgewinterde verkrachter als Martin C. tegenkomt, dan werkt dat niet.’’

4 februari 1999:

Een ander voornemen is om niet langer dan een half jaar tot een jaar te zoeken. Mijn verstand zegt dat je er daarna van uit kunt gaan dat ze niet meer in leven is. Als het aan mijn gevoel lag, zou ik elke dag voor de rest van mijn leven blijven zoeken.

4 februari 1999:

Aan tafel zegt Tineke: Het is heel erg voor ons, maar we moeten nooit vergeten dat het het ergste is voor Sybine. Wat heeft zij wel niet moeten doormaken?’

Jansons pleit voor strenger toezicht op zedendelinquenten. Dat is een verantwoordelijkheid voor de overheid, maar zeker ook voor mensen in de omgeving van zo’n delinquent. C. kon zich mede tot verkrachter ontwikkelen doordat zijn omgeving de signalen niet herkende of er niets mee deed, is Jansons’ overtuiging.

De ontmoeting met C. was voor zijn vrouw en dochter in het verwerkingsproces ’wel een heel goede stap’, maar ook teleurstellend omdat C. de ware toedracht niet vertelde.

„Vergeving is niet iets goedkoops en zeker niet in dit geval. C. erkent de feiten niet, laat staan dat hij spijt heeft betuigd. Dan kun je niet verlangen dat wij hem vergeven.’’

Een forse tegenslag was dat de politie de familie ten tijde van de vermissing van Sybine als verdachte behandelde. Onder het mom van een gesprek werd het gezin op het hoofdbureau uitgenodigd. Ter plekke bleek het om een verhoor te gaan.

Tijdens een ander gesprek kreeg Jansons te horen dat de politie op dat moment bij hem en buurtgenoten de huizen aan het doorzoeken was. „Aan Sybines vermissing had ik geen deel, maar als verdachte worden behandeld, dat heeft wel degelijk met jezelf te maken.’’ Jansons kwam met dat gevoel ’in een spagaat’: hij verwachtte van de politie dat ze hem en zijn gezin zouden ontzien, maar was zelf buitengewoon achterdochtig.

„Dan hoorde ik bijvoorbeeld dat er op 19 januari bij een huis een auto was gezien met een fiets in de kofferbak. Dan denk je al gauw: heeft de bewoner er iets mee te maken?’’

Na vijf weken werd Sybines lichaam gevonden in een kanaal in de buurt van Breukelen. Vanaf dat moment verbeterde de relatie met de politie en had Jansons bijna wekelijks contact met de onderzoeksleider.

Daarnaast deed hij eigen onderzoek. „Dat hield mij op de been. Ik wilde er ook de politie alert mee houden. Zeker niet om ze voor de voeten te lopen; ik deelde mijn informatie. Politiemensen hadden er alle begrip voor. ’Als het mijn kind was, zou ik het net zo gedaan hebben’, zeiden ze.’’

8 februari 1999:

Moet ik hier zitten en me verdedigen tegen deze beschuldigingen? Moet ik bewijzen dat ik mijn kind niet verkracht en gedood heb, geen incest gepleegd heb? Ik voel me van God verlaten en begin te twijfelen aan mijn geloof.

19 april 1999:

We krijgen de uitslag van het onderzoek naar de laatst ingeademde lucht van Sybine. Het is vreemd als je erover nadenkt. Zijn ze werkelijk in staat om de laatste adem te bewaren en te analyseren?’

Martin C. is in hoger beroep veroordeeld tot achttien jaar gevangenisstraf en tbs. Jansons reconstrueert in zijn boek op basis van getuigenverklaringen en eigen naspeuringen hoe de laatste uren van zijn dochter waarschijnlijk verliepen. Ook de identificatie van Sybine staat nauwkeurig beschreven. „Ik wil de lezer geen dingen onthouden die hij zich misschien afvraagt.”

Arjen Jansons en zijn vrouw hebben steeds veel kracht geput uit hun geloof. „Dat biedt houvast. Je zet dat houvast niet zomaar opzij.’’ De gereformeerde kerk in Maarn bood veel praktische en morele steun. Het gezin verhuisde naar elders ’om niet steeds met pijnlijke herinneringen geconfronteerd te worden’.

Professionele hulpverleners heeft de familie Jansons niet nodig gehad. Het motto van dochter Hanna, 10 jaar ten tijde van de vermissing, was: we moeten blijven ademhalen. „We vonden steun bij elkaar en sleepten elkaar er doorheen.’’

Inmiddels is Hanna zelf moeder van een dochtertje. Arjen Jansons: „We hebben altijd geprobeerd om ons leven zo normaal mogelijk voort te zetten, zelfs tijdens de vermissing. Je kunt heel erg in opstand komen tegen dingen die niet te veranderen zijn, maar daar heb je jezelf alleen maar mee. Je vindt een manier om met het verlies om te gaan.’’

Nawoord:

We hebben het kwaad in ons midden kunnen overleven (-) Ik ben ervan overtuigd dat er een maatschappij kan bestaan waarin we allemaal respectvol met elkaar omgaan, waarin gezinssituaties stabiel zijn en meisjes niet bang hoeven te zijn om alleen door het bos te fietsen.’

mailIcon print |