*

 

Gesink benadert tijdrit met wetenschappelijke precisie

Geert Langendorff − 19/03/09, 00:00

Tevreden keek Robert Gesink terug op de Tirreno-Adriatico. Een uitgekiend programma om zijn tijdrit te verbeteren betaalde zich in Italië uit.

In een zijstraatje van de vestingstad Macerata liet Robert Gesink zich na de tijdrit door een soigneur van Rabobank uitgebreid verzorgen. Toen de volgauto arriveerde en ploegleider Frans Maassen uitgelaten zijn hoofd door het open raam stak, trok hij stoïcijns twee aangereikte beenstukken aan. De vragende blikken van omstanders ontlokte hem uiteindelijk een korte reactie. „Het ging wel goed, ja.”

Eenmaal gedoucht en uitgerust bleek zijn prestatie wel degelijk impact te hebben. Gesink maakte achter de schermen overuren om zijn gevecht tegen de klok te perfectioneren. In zijn drang om eens in een grote ronde te schitteren, liet hij niets aan het toeval over. De Achterhoeker benaderde het specifieke onderdeel van zijn sport met wetenschappelijke precisie.

De wissel van fietsensponsor gaf hem een handreiking. Directeur Harold Knebel liet tot ontsteltenis van de romantici de verbintenis met het traditierijke Colnago aflopen. Het Italiaanse merk werd ingeruild voor Giant, een reus uit Taiwan. Waar de liefhebbers huilden, zag Gesink een buitenkans. Met steun van de fabrikant kon hij plots beschikken over droommateriaal.

„Een gigantisch verschil”, vertelt de renner. „Hun tijdritfiets is gewoon super. Voor de wegvariant geldt hetzelfde. Ze hebben een perfecte balans gevonden tussen comfort, gewicht en stijfheid. En de zwakke plekken zijn op precies de juiste plaatsen versterkt. Zo moet een bedrijf bezig zijn met ontwikkelen. Ik vind het prettig om met ze samen te werken.”

Het model waarop Gesink in Italië reed, bestond al. Team Columbia legde in de aanloop van de Tour de France contact met Giant. Met steun van een techneut van het Formule 1-team van Ferrari kreeg kopman Kim Kirchen in recordtempo een prototype van carbon ter beschikking. Rabobank profiteerde na de sponsordeal mee van dit project.

Om maximaal resultaat te boeken zocht Gesink op de baan naar een ideale zitpositie. „Je zoekt een middenweg. Een bepaalde houding kan meer gestroomlijnd zijn, maar technisch moeilijk uitvoerbaar. Je moet je kracht kwijt kunnen. Nu lukt me dat eindelijk. Al blijft de positie raar. Je moet er aan wennen.”

Gesink ging ver in dit proces. Als een dierbare nam hij de kapitale fiets tijdelijk mee naar zijn huis in Aalten. Lachend: „Ik wil zo veel mogelijk uren op dat ding maken om me de juiste positie eigen te maken. Het is bekend, dat zoiets veel tijd vergt. Met mijn vorige exemplaar deed ik dat ook enkele weken. Vreemd of apart wil ik het dus niet noemen.”

Behalve een superfiets in de woonkamer parkeren, sleutelde Gesink flink aan zijn warming-up. Met een draadloze wattagemeter als instrument zocht hij met trainer Louis Delahaije naar de meest geschikte voorbereiding. Aan de hand van het benodigde vermogen voor een specifiek parcours stelden ze zo een uitgebalanceerd programma samen.

„Een warming-up voor een proloog moet veel intensiever zijn dan voor een tijdrit halverwege een etappekoers”, legt hij uit. „Je moet veel dieper gaan. Het duurt maar een minuut of vijf. Kapot ga je toch niet. Je moet ook letten op het wegverloop. Bij de race in de Tirreno gingen we direct een klimmetje op. Zulke gegevens neem je mee.”

In de Ronde van Californië liet Gesink een hoopvol teken zien. Hij deed 45 seconden korter over de tijdrit dan in de vorige editie van de race in de Verenigde Staten. Harde conclusies wilde hij daaruit niet trekken. Goede resultaten zo vroeg in het seizoen konden voortkomen uit een gewijzigde trainingsopbouw. In Italië kreeg hij het sluitende bewijs. De vele inspanningen betaalden zich langzaam uit.

De 22-jarige boerenzoon zag de geroemde fiets niet als de belangrijkste factor. Het rijden van de Vuelta waarin hij als 7de eindigde, vergrootte zijn inhoud drastisch. Fysiek kwam Gesink een paar passen dichter in de buurt van de wereldtop. De feiten liegen er niet om. Zijn hartslag in rust benadert die van Lance Armstrong tot op vier kloppen.

„Als ik ontwaak, zit ik rond de 36 slagen per minuut”, zegt hij. „Laag, maar je hart past zich aan. Echt gezond is het niet, maar daar houd ik me niet mee bezig. Topsport is niet gezond. Je elke week klem zuipen in het café ook niet. Dan maak je een afweging. Wielrenners zorgen dat de randvoorwaarden in orde zijn. Ik weet precies waar ik mee bezig ben.”

mailIcon print |