Hadden we het een paar weken geleden over nieuwe tuintrends, deze keer gaat het over een trend die al driehonderd jaar standhoudt.
De tuinkabouter. Iedereen kent ze: de kleurige mannetjes met hun kruiwagen, mondharmonica of hengeltje. Of met wat modernere attributen, zoals een afgezakte broek of speelkaarten.
Het fenomeen is al eeuwen oud. Je kunt het je nauwelijks voorstellen, maar in de achttiende eeuw waren tuinkabouters statussymbolen die alleen in de baroktuinen van landhuizen te vinden waren – al waren het toen nog geen kabouters, maar dwergen. Wat maar weer eens bewijst hoe willekeurig smaak is. Want wie kan zich de tuin van paleis Huis ten Bosch indenken met een groepje tuinkabouters?
De tuinkabouter zoals wij die kennen, heeft zijn bestaan te danken aan Philipp Griebel, die in 1874 in Grüfenroda (Thüringen) een tuinkabouterfabriek oprichtte. Hij liet zich inspireren door middeleeuwse mijnwerkers die attributen droegen als een schop, pikhouweel, lantaarn of kruiwagen. Nu weet u ook waarom die mannetjes zo vaak dat soort spullen vasthouden.
De oorspronkelijke aardewerken en handgeschilderde tuinkabouter is vrij prijzig. Pas toen er kabouters van gips en kunststof op de markt kwamen, werden ze zo betaalbaar dat hun populariteit enorm toenam– en hun exclusiviteit in navenant tempo afnam, zodat de tuinkabouter, na zijn korte glorietijd als statussymbool, nu alweer heel lang doorgaat voor burgerlijk, ordinair en kitsch.
Die reputatie hield hij tot de jaren zestig van de vorige eeuw. Rond die tijd kwam een aantal studenten op het idee om tuinkabouters uit tuinen te stelen en ze ergens anders te zetten. Wat begon als een studentengrap, groeide uit tot een rage. Actiegroepen maakten zich sterk voor de rechten van tuinkabouters en ’bevrijdden’ ze uit hun saaie tuintjes, waar ze dag in dag uit tegen hetzelfde uitzicht aankeken. Sommige kabouters verdwenen voorgoed, andere werden teruggevonden in bossen, waar ze ’thuishoren’.
Een stuk beter hebben de tuinkabouters het getroffen die op wereldreis worden gestuurd. De eerste die dat overkwam, was een tuinkabouter uit Australië. Hij verdween uit zijn tuin, maar de eigenaren kregen regelmatig ansichtkaarten uit de plaatsen op de wereld die hij aandeed. Totdat hij op een goede dag weer gewoon in zijn tuin stond.
Toen deze kabouter vervolgens opdook in films, boeken, liedjes, soapseries en games, was het hek van de dam. Mensen stalen tuinkabouters uit tuinen, namen ze mee op reis, fotografeerden ze bij buitenlandse bezienswaardigheden en stuurden de foto’s op naar de eigenaar.
Er zijn ook vakantiegangers die hun eigen tuinkabouter meenemen en er via hun weblog een wedstrijdje van maken wie zijn kabouter naar de vreemdste bestemming brengt.
Een van de bekendste is Jerome Angus Graham III. Deze Belgische tuinkabouter met zijn bermudahemd, sandalen en zonnebril heeft al bijna 200.000 kilometer afgelegd en is in 28 landen geweest. Wie op reis gaat en belooft een leuke vakantiefoto van hem te maken, mag de kleine globetrotter meenemen.
Wel tijdig boeken, want Jerommeke is nogal uithuizig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.