Je hebt konijnen en je hebt konijnen. Je hebt konijnen die onder schimmige omstandigheden in Oost-Europa gefokt worden en in onze tuincentra verkocht. Deze konijnen eindigen vaak als dumpkonijnen in dierenasiels.
En je hebt konijnen die op de KleindierenExpo staan. Dat zijn de showkonijnen, afkomstig van erkende fokkers en ingeschreven bij de Bond van Kleindierliefhebbers.
Die bond verenigt sinds kort twee oude bonden, namelijk die van de konijnen en die van de kippen. Of beter gezegd die van de haren en die van de pluimen, want behalve konijnen en kippen hebben zich ook cavia’s, gerbils, ratten, watervogels, duiven en siervogels bij de bond aangesloten. En eens per jaar komen ze bij elkaar – op die KleindierenExpo dus, gehouden in een veemarkthal in Utrecht.
Ik ging kijken bij Neerlands mooiste kleindieren, want uit hun midden wordt jaarlijks een kampioen gekozen, per ras, maar ook per soort, zodat er tenslotte maar één konijnenkampioen (van Vlaamse reus tot dwergkonijn) of caviakampioen zal staan, de grote trots van de fokker. Tienduizend leden telt de Bond van Kleindierliefhebbers, en hoewel ze niet allemaal fokkende leden zijn, delen ze op zijn minst een verlangen naar het ideale kleindier. Het ideale kleindier, dat is eigenlijk een schoonheidsideaal. ,,We zijn op zoek naar Hollands next topmodel’’, zei iemand van de organisatie met een lachje.
Een kale hal vol topmodellen: 4500 konijnen, 500 cavia’s en honderden kippen en ganzen, opgesteld in lange rijen met draadstalen kooien, een megastal voor de dierlijke beau monde. Het Dierbevrijdingsfront zou er zijn handen vol aan hebben. De afdeling pluim snatert en kakelt erop los, de afdeling haar wacht gelaten en in stilte tot alles zondag weer voorbij is.
De openingsdag, gisteren, was een dag voor de keurmeesters, tachtig mannen en vrouwen in witte slagersjassen, die ieder dier even door hun handen lieten gaan. Mijn belangstelling ging uit naar de cavia’s, want twee ongekamde vrouwtjes van deze soort slijten hun dagen in een kooi in onze woonkamer. Geen showmodellen, helaas.
De caviakeurmeester, geassisteerd door een aandrager en een rapportschrijver, heeft er zes jaar overgedaan om alle rassencertificaten te halen, maar nu glijden de cavia’s geroutineerd door haar vingers, ze wiebelt ze, rekt ze, kneedt ze, draait ze om, laat ze even zachtjes op tafel neerkomen, en blaast ze in: dan ontstaan er rozetjes in hun vacht, zodat ze de onderkleur kan beoordelen. Er zijn punten voor type, bouw, vacht, kleur en voor ticking –dat is de kleurlijn van haarwortel tot haarpunt– en voor de buikstreep, die op de flanken niet zichtbaar mag zijn.
Voor een leek zijn alle cavia’s eender, maar hier telt een doorzakkend voetje, of iets te veel getoonde knie, of de buiging van een neusbeen. Thuis keek ik nog eens naar de twee rommelige meisjes – en dacht aan Oost-Europa.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.