De overheid helpt de exporteurs met garanties. Jammer genoeg is de hulp te beperkt, vindt deze sector van de Nederlandse economie.
„Àls we de komende tijd de export op nul groei weten te houden dan voelt dat als een overwinning. Ik zou mijn handtekening daar graag onder zetten”, klinkt het somber uit de mond van Frank Hauwert, directeur van de Fenedex, de organisatie van het internationaal opererende Nederlandse bedrijfsleven.
Hauwert en zijn achterban waren vrijdag nog euforisch over de nieuwe maatregelen van het kabinet om de export met garanties te stimuleren. Het pakket blijkt na bestudering te gering om veel hoop uit te putten.
Niet zo lang geleden was het exporterende bedrijfsleven volgens Hauwert nog vol goede moed. Bij de peiling van de vooruitzichten voor 2008 werd gerept over 5 procent groei. Een deel van de referentiegroep van de Fenedex – tussen de 5000 en 6000 bedrijven en goed voor 70 procent van de export – beschouwde dat zelfs als te bescheiden.
Volgens Hauwert is de situatie zeer snel verslechterd. „Het water staat ons aan de borst.” De peiling voor 2009, jaarlijks opgemaakt door de Fenedex en exportkredietverzekeraar Atradius, wordt pas eind maart gepubliceerd. Maar uit de gesprekken met de achterban blijkt pessimisme troef. Een belangrijke aanwijzing dat er goede grond is voor die somberheid, gaf gisteren het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dat meldde dat de uitvoer van goederen afgelopen november bijna vijf procent minder is dan een jaar eerder: de grootste daling in bijna zeven jaar tijd. In de laatste twee maanden zijn ondernemers in de industrie bovendien flink somberder geworden over hun buitenlandse orderpositie. Dat kan duiden op een verdere krimp van de export. De Nederlandse uitvoer bestaat voor ongeveer 45 procent uit door de industrie gemaakte producten.
De belangrijkste maatregel die de overheid vrijdag bekendmaakte betreft de export naar negen landen in voornamelijk Oost-Europa. Het gaat om Bulgarije, de drie Baltische landen, Hongarije, Kazachstan, Roemenië, Rusland en Servië. Voor die landen is de exportkredietfaciliteit van de overheid verruimd. Dan gaat het om het dekken van betalingsrisico’s voor rekening van de staat. Normaal gesproken waren risico’s voor perioden langer dan twee jaar al voor rekening van de staat, overigens na premiebetaling door het exporterende bedrijf. Nu blijkt dat in het segment daaronder – perioden korter dan twee jaar– de verzekeringsmarkt niet meer meedoet, vult de overheid dat gat op. Daar profiteert maar een beperkt aantal sectoren van. De faciliteit is er alleen voor transacties van kapitaalgoederen (bijvoorbeeld machines voor de voedsel verwerkende industrie zoals Stork) en projecten in de aannemerij.
De problemen met de exportkredietverzekering zijn volgens Hauwert echter aanzienlijk breder dan voor deze groep. Er is bijna geen land te bedenken waarvoor de transacties nog makkelijk te financieren of te verzekeren zijn. Niemand wenst een brandverzekering af te sluiten als het huis al in de fik staat, verklaart hij. Volgens de directeur van de Fenedex „schreeuwen de bedrijven om hulp bij de verzekering van exportkredieten”. De bedrijven zijn best bereid om een hogere premie te betalen, alleen hanteren de kredietverzekeraars criteria die voor elk bedrijf en elke transactie opgaan en wordt geen maatwerk geleverd, stelt hij.
Vinco David, lid van het managementteam van Atradius Dutch State Business (Atradius DSB), kent de wens van de Fenedex voor flexibele criteria. De verzekeraar, die voor de Nederlandse staat de exporttransacties afdekt, kan aan die wens niet voldoen omdat anders willekeur dreigt te ontstaan. Wel zoeken Atradius DSB en het ministerie van financiën nog naar mogelijkheden om de problemen op te lossen bij de financiering van de exporttransacties. De kapitaalverschaffers van de banken, zoals pensioenfondsen, zijn sterk risicomijdend geworden. De overheid wil dat doorbreken met garanties voor leningen aan banken die exporttransacties financieren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.