Het nieuwe pakket maatregelen, dat het kabinet deze week nam om de huidige economische malaise het hoofd te bieden, is in Europees verband behoorlijk uniek. Het Nederlandse kabinet is er, kennelijk als één van de weinige landen in de Europese Unie, van overtuigd dat de rol van de overheid in het dempen van de crisis beperkt zou moeten zijn.
De miljarden euro’s vlogen de afgelopen weken in verschillende landen over de toonbank. Met als laatste grote economie Duitsland. Vijftig miljard trok de Duitse regering uit om de economie draaiende te houden. Het pakket bestaat uit steun voor bedrijven in specifieke sectoren en belastingverlaging voor burger en bedrijf. Kennelijk is de filosofie dat de overheid in staat is met stimuleringsmaatregelen de economie de winter te laten uitzitten en dat de burger vertrouwen in de toekomst kan worden aangereikt.
Ook in Groot-Brittannië en in Frankrijk wordt die filosofie gevolgd. Grote pakketten aan belastingmaatregelen zijn ook daar afgekondigd, de Britse premier Gordon Brown name de wel meest ongerichte maatregel van allemaal. Hij verlaagde het BTW-tarief om zo de consument tot kopen te verleiden.
Hoe anders denkt het Nederlandse kabinet over de rol van de overheid tijdens de crisis. Of het financieringstekort nu boven de twee procent mag uitkomen of niet, in politiek Den Haag een zeer controversiële vraag, het stabiliteitspact van de eurolanden blijft vooralsnog heilig. Meer dan drie procent is zo ongeveer voor iedereen onbespreekbaar.
Veel geld is er zo dan ook niet. Het Nederlandse kabinet weigert vooralsnog de overheid een directe rol te laten spelen in de economie. Omdat het budget beperkt wordt gehouden, maar ook, omdat daar geen soelaas van verwacht wordt.
Eén van de argumenten, die bijvoorbeeld minister Wouter Bos van financiën daarbij vaak hanteert, is dat Nederland een open economie is, met als gevolg dat bijvoorbeeld een belastingverlaging weglekt naar het buitenland. Nog even afgezien van de weinig solidaire houding, die daar uit spreekt, met andere landen in de Europese Unie, het argument boet aan overtuigingskracht in, als die andere Europese landen het wel doen. Daar profiteert de Nederlandse economie op haar beurt behoorlijk van met een export die voor tachtig procent naar andere EU-landen gaat.
Nationaal egoïsme zou je het kunnen noemen. Maar belangrijker dan dat is de totaal andere filosofie, die het kabinet heeft bij het aanpakken van de crisis. Niet zozeer steun is volgens Den Haag het medicijn, als wel krediet. Het geld moet rollen, dat hebben beide benaderingen als uitgangspunt gemeen, maar het kabinet wil die euro niet zozeer zelf laten rollen als wel de voorwaarden scheppen dat hij weer gaat rollen. Tussen banken en bedrijven, tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en consument.
En ook dergelijke faciliteiten moeten niet zo maar ongericht ingezet worden. Het kabinet verwacht nogal veel van het inperken van de maatregelen tot die sectoren, die, na de crisis, Nederland tot één van de meest vooraanstaande innoverende economieën moet maken. De gedachte dat de crisis een kans biedt om de economie sterker te maken is zeer populair aan het Binnenhof.
Dat ondertussen massawerkloosheid een concrete dreiging is, baart uiteraard wel zorgen, maar die zorgen vertalen zich niet in het op de been houden van wankelende bedrijven. Gerichte steun is sinds de jaren tachtig, sinds de geruchtmakende RSV-affaire, taboe in Nederland. Daar verandert een kredietcrisis niets aan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.