Met het samengaan van twee grote partijen in één centrum-rechts blok, schuift Italië op in de richting van een tweestromenland. Politieke analisten juichen dat toe: het land is beter te besturen.
In Italië smelten twee grote politieke partijen samen tot één groot centrum-rechts blok. In Volk van de Vrijheden, il Popolo delle Libertà (Pdl), zullen Silvio Berlusconi’s Forza Italia en de Alleanza Nazionale van Gianfranco Fini opgaan.
De twee regeringspartijen vormden bij de parlementsverkiezingen van 2008 al één lijst en kwamen als winnaar uit de bus met 38 procent van de stemmen. Hun samengaan wordt tijdens een congres, dat van morgen tot zondag duurt, geformaliseerd. De ex-fascistische Alleanza Nazionale heeft zichzelf vorig weekeinde opgeheven en staat nu onder Berlusconi’s leiding.
Zowel Berlusconi als Fini streeft al langer naar de vorming van één centrum-rechts blok. Aan de linkerkant van het politieke spectrum gebeurde al zoiets in 2007, toen de twee grootste centrum-linkse partijen opgingen in de Democratische Partij.
Het idee erachter is dat Italië twee stabiele politieke blokken krijgt die afwisselend aan de macht komen, zoals dat ook in bijvoorbeeld de Verenigde Staten het geval is. Berlusconi is enthousiast en optimistisch: hij wil met zijn kersverse Pdl bij de Europese verkiezingen in juni minstens 40 procent van het electoraat achter zich krijgen.
Veel politieke analisten juichten het initiatief toe. Zij denken dat het bestaan van twee zeer dominante partijen het besturen van Italië – dat een verleden heeft van regeringen die om de haverklap vallen omdat een of ander obscuur partijtje uit de coalitie stapt – goed zal doen.
Want kleine, extremere partijen worden zo steeds verder de coulissen in gedrukt. „De partijtjes hebben het oplossen van onze grootste problemen altijd enorm gecompliceerd. De geboorte van de Pdl bevalt iedereen die een voorstander van een tweestromenland is”, schrijft een commentator in de Corriere della Sera.
Of het versmelten van Forza Italia en Alleanza Nazionale soepel zal verlopen is de vraag. Het lukt ze weliswaar aardig om samen in een regering te zitten, maar het electoraat van beide partijen verschilt behoorlijk. Berlusconi doet het met zijn centrum-rechtse FI vooral goed in het noorden van het land, bij ondernemers en de vrije beroepsgroepen. De rechtse AN is met name in het zuiden populair, en dan vooral bij kiezers die bij de overheid werken.
AN is de kleinste van het stel en tijdens het opheffingcongres – waar hier en daar een traantje werd weggepinkt – spraken partijkopstukken openlijk over hun angst voor het verlies van de eigen identiteit en voor het opgaan in een partij die wordt gedomineerd door Berlusconi.
Partijleider Fini probeerde die vrees weg te nemen. Hij zei dat „de Pdl geen partij is van één persoon, maar van één natie” en dat het „een brede, pluralistische volksbeweging moet zijn, die verenigd is maar waarin ook ruimte voor meerdere denkbeelden moet zijn”.
Het blijkt bepaald niet makkelijk om twee politieke partijen met verschillende achtergronden stevig en onherroepelijk samen te binden. Dat kunnen de rechtse politici aan hun linkse collega’s zien. Want binnen de Democratische Partij vechten de twee oorspronkelijke stromingen elkaar nog regelmatig de tent uit.
De eerste partijleider, Walter Veltroni, heeft al af moeten treden. Maar waar ze bij de Pdl hoop uit kunnen putten is het feit dat Berlusconi binnen de partij veel meer respect geniet dan Veltroni bij de zijnen deed, en dat de premier ook nog eens veel populairder in het hele land is.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.