Nederlandse moslima’s willen de vrijheid hebben om op hun manier hun geloof te uiten. Door het dragen van een nikab bijvoorbeeld. Maar de Nederlandse samenleving accepteert dat niet. Dus dragen ze die alleen bij moskeebezoek.
De Poldermoslima Hoofddoekbrigade wil eerlijke kansen op de arbeidsmarkt voor hoofddoek dragende vrouwen. Een stapje verder dan de hoofddoek gaat de nikab, zowel in lichamelijke bedekking als in de mate van discriminatie, zeggen twee Nederlandse moslima’s. „We worden onderdrukt door de mensen om ons heen.”
Vanuit haar rode autootje stapt Rabi’a Frank (32) over het wit besneeuwde grasveld in een khimar haar huis binnen in Breda. Daar ontdoet ze zich van dit zwarte gewaad dat haar hoofd, schouders en armen bedekt, maar haar gezicht vrijlaat. Ze ruilt haar schoenen in voor pantoffels en gaat in de keuken koffie zetten. Het is stil in huis, de drie kinderen zijn naar school en Frank mag van haar geloof niet naar muziek luisteren.
Drieënhalf jaar lang ging Rabi’a met een nikab over straat. Tijdens haar bedevaart naar Mekka in 2005 droeg ze er een en sindsdien wilde ze niet meer zonder. Daar veranderden overheidplannen om de nikab te verbieden en de dagelijkse verwensingen op straat niets aan.
„Ik vroeg mezelf wel af ’Ben ik vandaag sterk genoeg om naar de Ikea te gaan?’ Maar ik liet me niet belemmeren. Wel ging ik vaak op tijdstippen waarop ik dacht dat het niet druk zou zijn.”
Haar Marokkaanse man had wel moeite met Rabia’s sluier, de hatelijke opmerkingen die zij kreeg toegeroepen, vond hij moeilijk te verteren. Voor hem heeft ze de nikab afgedaan. Nu laat ze haar gezicht onbedekt. „Bij veel mensen heerst het idee dat het van de man moet”, vertelt ze. „Maar ik heb met die van mij juist strijd moeten voeren om hem te dragen.” Eigenlijk wil ze haar nikab altijd dragen – nu is dat alleen nog bij het moskeebezoek.
Zo doet Franks zuster-in-islam Marie-Claire Jacobs (45) het ook. „Ik wil hem wel altijd dragen, maar ben niet sterk genoeg. Met een khimar hebben mensen al moeite. Ze denken dat je dom bent en analfabeet. Als ik boodschappen loop te doen, roepen ze ’flikker op naar je eigen land!’, terwijl ik zo Nederlands ben als maar kan. Of ze fluisteren ’waar heb je die bom verstopt?’ Bovendien heb ik een sollicitatieplicht als alleenstaande moeder met vier kinderen. Met een nikab lukt het me niet om een baan te vinden.”
Jacobs is vrijwilligster bij Stichting Leergeld. Ze gaat bij gezinnen langs die geholpen worden met het schoolgeld voor hun kinderen. Haar lange gewaad ruilt ze dan in voor een korter, tot net over de knieën, met een broek eronder. „Soms draag ik iets met een klein bloemetje erin, of een streepje.” Ze vindt het zonde, maar hoopt dat ze zo niet-moslims niet van zich afstoot – al betwijfelt ze of de tegemoetkoming wel opvalt. Bij allochtone gezinnen valt haar verschijning wel in de smaak. „Daar is het ijs direct gebroken.”
De vriendenkring van Frank bestaat alleen uit moslims. Bij hen voelt ze zich prettig. Bovendien is het gewoon zo gelopen. „Ik was jong toen ik moslim werd. Het contact met vriendinnen van de middelbare school verwaterde. Iedereen is welkom, maar ik ontmoet nu eenmaal meer moslims.”
Een beperking is het niet, zegt ze. Iedereen gaat met bepaalde mensen om en niet met anderen.
Frank was achttien toen ze zich bekeerde. Ze legde de sjahada af (’Er is geen godheid dan Allah’), bad vijf keer per dag, droeg een hoofddoek en vastte. „Als je net moslim wordt, ben je een spons. Je duikt erin. Ik werd er high van.”
Maar na een paar jaar wordt het normaal. „Ik wilde weer iets doen wat echt wat van me vroeg. Ik wilde dat gevoel weer. Met de nikab voelde ik me meer compleet. Het is de kers op de taart. Ik voel me er geweldig in.” Ze benadrukt dat dat goede gevoel niet iets oppervlakkigs is. „Islam is voor mij dé werkelijkheid. Ik geloof wat er in de Koran staat. Ik heb niet gekozen, ik gelóóf. De Koran is het woord van God, de waarheid. Ik geloof in het hiernamaals. Anders zou ik al die dingen er niet voor over hebben. Alles wat ik doe, doe ik om beloning, ik doe het voor Allah.”
Toegang tot het paradijs hangt volgens moslima Frank af van vroomheid. Allah weegt na je dood je intenties en daden op een schaal en bepaalt zo of je het paradijs in mag. „Of de nikab verplicht is, daarover verschillen de islamitische geleerden van mening”, zegt Frank. „Zelf denk ik dat het kledingstuk aanbevolen is.” En dat het de paradijskansen vergroot.
Frank is een bekeerling, het type gelovige met ’meer gedrevenheid’. „Ik hou van Allah, ik hou van islam. Allah is mijn grote liefde, daar wil ik de hele dag mee bezig zijn.”
Bij Marie-Claire Jacobs verliep de religieuze zoektocht anders. Vijfentwintig jaar geleden trouwde ze met een Marokkaan die als gastarbeider naar Nederland was gekomen. Het mysterieuze geloof van haar islamitische echtgenoot verloor al snel zijn aantrekkingskracht toen bleek dat ze thuis moest blijven en geen inspraak had. Jacobs verliet samen met haar kinderen haar man. „Ik had een vreselijke afkeer gekregen van de islam. Ik dacht: hoe kan een geloof zo vrouwonvriendelijk zijn?”
Toen haar oudste zoon op het verkeerde pad dreigde te raken, kwam ze er opnieuw mee in aanraking. „Mijn zoon kwam gelukkig vrienden tegen die hem op het rechte pad trokken, islamitische jongens. Zo kwam mijn zoon ook thuis met islamitische boekjes.”
„In het begin hadden we daar heftige discussies over. Maar hij zei: ’Nee ma, je moet er eens over lezen’.” Dat deed ze en ze zag dat de islam ’zo erg nog niet was’. Ze ging halal koken voor haar zoons – want ook haar tweede zoon was moslim geworden – en zorgde ervoor dat ze meededen aan het vasten tijdens de ramadan.
Ondertussen bleef ze lezen over de islam. Tot ze ’voelde dat dit was waar mijn hart lag, heel vertrouwd’. Geleidelijk veranderde ze haar eetgewoontes, paste haar kleding aan en ging zich ’volledig bedekken’. „Drie jaar geleden kwam ik in de moskee terecht. Mijn derde zoon heeft iets eerder dan ik de sjahada gedaan en mijn dochter afgelopen zomer.”
Sinds haar bekering draagt haar dertienjarige dochter een hoofddoek. „Ik ben blij dat ze het recht heeft om zich niet ten toon te hoeven stellen aan de hele samenleving en ik vind het fijn dat ze dat zelf ook vindt.” Ze hoopt dat haar dochter later de kans krijgt om zelf te kiezen voor de nikab – met een wettelijk verbod zou die keus wegvallen. „Ze hoeft het niet te doen, als ze het doet, dan voor Allah, niet voor mij.”
Volgens Frank en Jacobs hanteert de Nederlandse samenleving een dubbele moraal. „Kijk maar naar de Gay Parade”, legt Jacobs uit. „Mannen staan daar met niet meer dan drie touwtjes aan. En dat is allemaal leuk en dat wordt allemaal getolereerd. Maar als een moslimvrouw echt uit eigen wil iets aantrekt”
Frank: „Ik word onderdrukt. „Niet door mijn man, maar door de mensen om mij heen.”
Jacobs: „Ik ben gewoon mezelf. Ik heb alleen mijn geloof en de regels waar ik mij graag aan houd. Ik ga ook met mijn kinderen picknicken en langs het strand uitwaaien. Ik doe ook leuke dingen.”
Hoewel de twee vrouwen in de boerkini ’nog niet dood gevonden willen worden’, gaan ze wel zwemmen. „Dan huren we een bad af”, zegt Frank. „Zo lossen we dat op.”
Volgens de overheid is identificatie lastig bij draagsters van een nikab. Dat ziet Frank anders. „We zijn geen onherkenbare barbamama’s. Ik herken alle vrouwen met nikab meteen. Iedereen heeft toch een ander postuur, andere ogen. Bovendien wil ik best mijn nikab even omhoog doen als dat nodig is, op het vliegveld, of in de trein. Ik ken geen moslima die daartoe niet bereid zou zijn.”
De twee moslima’s zien de nikab niet als een gevangenis, maar als een manier om zich te uiten. Kijk, zegt Rabi’a die een nikab uit haar tas haalt, „hier is nu alle ophef over. Hoeveel vierkante centimeter zou het lapje stof zijn?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.