*

 

In Nederland is vooral aandacht voor bestrijding seksuitbuiting

Martijn Roessingh − 13/02/09, 00:00

Aandacht voor mensenhandel is er in heel Europa. Maar de kans dat mensenhandelaren buiten de sekssector worden gepakt en veroordeeld verschilt sterk per land. Dat blijkt uit onderzoek van Jill Coster van Voorhout van het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht. Vandaag presenteert de juriste haar onderzoek aan de ministers Donner van sociale zaken en Hirsch Ballin van justitie. Nederland kan met name leren van België, luidt haar conclusie.

België springt eruit omdat dat land veel onderzoeken kent naar mensenhandel buiten de sekssector, en vooral veel veroordelingen van daders.

In Nederland kwamen zes mensenhandelaars voor de rechter, van wie er slechts twee werden veroordeeld (zie inzet). „Dit misdrijf kan in Nederland net zoals in België in heel veel sectoren voorkomen. Maar het staat of valt met wat er gebeurt na bijvoorbeeld een aangifte. In België werd tijdens een politiecontrole een illegale chauffeur aangetroffen en begon een onderzoek naar de werkgever. Zo werden dan nog zes of zeven slachtoffers ontdekt. Zolang je dat niet doet in Nederland, kom je er niet achter. Je ziet het als je er aandacht voor wílt hebben. Het is een crimineel-politieke keuze.”

Het is niet zo dat Nederland mensenhandel geen prioriteit geeft, zegt Coster van Voorhout. „Maar onze perceptie van het probleem wordt bepaald door onze aandacht voor de seksuitbuiting. Daar ligt in Nederland de nadruk op. Verder richt Nederland zich vooral op transnationale misdaad en georganiseerde groepen, degenen die bijna bedrijfsmatig geld verdienen aan handel en uitbuiting. Maar zo gaat het niet alleen. Er zijn ook veel particulieren die bijvoorbeeld een huishoudster meenemen, of illegalen laten werken in de keuken van hun restaurant. Daar moet ook aandacht voor zijn.”

Als het om mensenhandel buiten de sekssector gaat, willen rechters beduidend meer bewijs van uitbuiting, is de indruk van Coster van Voorhout. „Dat betekent in de praktijk dat er pas veroordelingen plaatsvinden als de ergste omstandigheden gelden. Zoals in de zaak van een geestelijk gehandicapte jongen die in slavernij-achtige omstandigheden werd vastgehouden. Maar gedwongen arbeid vindt ook plaats in minder extreme omstandigheden, dat moet ook bestraft worden. In België zijn in dat soort gevallen mensenhandelaren wel veroordeeld, in Nederland niet. Ook is in België meer oog voor verzwarende omstandigheden, bijvoorbeeld als illegalen worden gedwongen criminele handelingen te verrichten zoals stelen of het kweken van hennepplanten. Dat maakt het voor de slachtoffers moeilijker aan de dwangsituatie te ontsnappen. In Nederland is daar nog te weinig oog voor. Nederlandse rechters zoeken te veel naar één exces, een vorm van extreme behandeling, om iets als mensenhandel of uitbuiting te kwalificeren. Maar uitbuiting kan ook de combinatie zijn van alle omstandigheden bij elkaar.”

Coster van Voorhout wijst erop dat als iemand vrijwillig en illegaal naar Nederland is gekomen, de werkgever niet snel wordt bestraft voor uitbuiting. Dat deugt niet, vindt zij. „De aandacht zou moeten liggen op de uitbuitingssituatie zelf. Niemand laat zich vrijwillig uitbuiten, door bijvoorbeeld zijn paspoort af te geven, in zijn bewegingsvrijheid te worden beperkt, of zeer slecht te worden betaald. En in de sekssector, die immers ook een legale sector is, vinden we ook dat bijvoorbeeld een buitenlandse prostituee die vrijwillig hier naartoe is gekomen toch uitgebuit kan worden. Zo zou je ook moeten kijken naar werk buiten de sekssector. Het accent moet liggen op degene die uitbuit, niet zozeer de motivatie of het perspectief van het slachtoffer dat zijn leven wil beteren. Die zal zichzelf misschien niet tijdig genoeg identificeren als slachtoffer. Als een persoon je uitbuit vertoont die strafbaar gedrag. Dat moet vervolgd worden.”

De Nederlandse wetgeving hoeft volgens Coster van Voorhout niet te veranderen, die voldoet al aan EU-regels. „Maar in de rechterlijke beslissingen moet het accent wel verschuiven. Daar moeten alle omstandigheden bij elkaar worden opgeteld, in plaats van dat één vorm van extreme behandeling de norm wordt om iets als mensenhandel of uitbuiting te kwalificeren. Nu moet er eigenlijk sprake zijn van volledig isolement van het slachtoffer.”

Met alleen de strafrechter ben je er niet, voegt ze daaraan toe. „Er moet ook worden vastgesteld wat voor werkomstandigheden wij niet acceptabel vinden. We moeten standaarden vaststellen: er moet minimumloon worden betaald, er mogen geen paspoorten worden geconfisqueerd, er moeten normen komen voor huisvesting van werknemers. Dat soort standaarden moeten door werkgevers worden gehandhaafd, die daarover ook onderling afspraken moeten maken.”

Coster van Voorhout ziet ook een rol weggelegd voor de gewone burger. „Als je merkt dat een huishoudster het geld niet zelf krijgt, of dat ze iedere keer wordt gebracht of opgehaald en de brenger blijft wachten tot ze klaar is, dan heeft een burger de plicht om dat te melden. En bij een verbouwing moet je er zeker van zijn dat de mensen die het werk doen, het geld ook daadwerkelijk verdienen en fatsoenlijk gehuisvest worden. Je hebt zelf als werkgever dan een verantwoordelijkheid dat de mensen hun werk onder de juiste omstandigheden doen.”

Het rapport van Jill Coster van Voorhout is verkrijgbaar bij het Kennispunt Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit van Utrecht.

mailIcon print |