*

 

Hoe het pensioen toch in gevaar kwam

Lex Oomkes − 13/02/09, 00:00

De oudedagsvoorziening staat onder druk. Zowel rond de AOW als rond de aanvullende pensioenen dreigen ingrijpende maatregelen. Op je 65ste AOW krijgen is wellicht straks verleden tijd en of iemand het aanvullend pensioen krijgt, dat in zijn jaarlijks pensioenoverzicht staat, is onzeker.

Het Nederlandse stelsel van oudedagsvoorzieningen diende, in ieder geval wat Nederlandse commentatoren betreft, model te staan voor de hele eurozone. Nederland had tenminste, door het kapitaaldekkingstelsel van de aanvullende pensioenen, al een groot deel van de groeiende uitgaven door de vergrijzende bevolking veiliggesteld.

Andere landen, waarbij vooral Frankrijk en Italië als afschrikwekkende voorbeelden ten tonele werden gevoerd, werkten met een omslagstelsel: werkenden brengen de oudedagsvoorziening op van de gepensioneerden (zoals in Nederland de AOW). Landen met een dergelijke systeem zaten, aldus destijds de stelling, met een in de toekomst financieel onhoudbaar stelsel. De overheidsfinanciën moesten wel volkomen onbeheersbaar worden als steeds minder werkenden de pensioenen van steeds meer gepensioneerden op moeten brengen.

Nederland werd echter al snel na de invoering van de euro hardhandig uit die droom gewekt. Het pensioenstelsel, met een door de werkenden opgebrachte AOW en een via sparen en beleggen opgebouwd aanvullend pensioen, stond in 2002 op zijn fundamenten te schudden. De internetactiviteiten in de economie stortten in of liepen sterk terug. Toen bleek hoe kwetsbaar dit prachtige systeem kan zijn. Het stelsel van aanvullende pensioenen is duur en is afhankelijk van een aantal precaire evenwichten. Vallen die weg, dan dienen alle hens onmiddellijk aan de pompen te staan. Het schip maakt dan al gauw slagzij.

Hoe anders werd daarover nog maar 25 jaar geleden gedacht. De toenmalige premier Lubbers kon, op zoek naar mogelijkheden de zware bezuinigingen van destijd iets te verzachten, nog hardop dromen over het wegbelasten van de extra reserves van het grootste pensioenfonds in Nederland, het ambtenarenpensioenfonds ABP. Andere fondsen stopten met premie heffen om overreserves te voorkomen.

In die tijd werd er nog van uitgegaan dat een pensioenfonds aan zijn verplichtingen kon voldoen als er jaarlijks maar een gemiddeld rendement op het belegde vermogen werd behaald van 4 procent. Een makkie, werd 25 jaar geleden nog gedacht. Pas vanaf de jaren negentig werd duidelijk hoe moeilijk dat te bereiken is. Fondsen kregen vervolgens de vrijheid dat rendement alsnog te behalen door in aandelen te beleggen. Een risicovollere belegging, maar ook een belegging met de kans op hogere rendementen.

Hogere rendementen waren extra aantrekkelijk, omdat behalve een rendement van gemiddeld 4 procent de pensioenpremies zo laag mogelijk dienden te blijven. Bij de loonmatiging sinds de jaren tachtig speelde de beperking van de pensioenpremie een grote rol.

Het ging goed, zo lang deze evenwichten niet verstoord werden. Maar in 2002 bleek het evenwicht geen natuurwet. De beurzen vielen snel terug, de rendementen van de beleggingen van pensioenfondsen daalden en voor het eerst werd Nederland geconfronteerd met de zwaktes van een veel te luxe pensioenstelsel.

Veel fondsen kwam in acute problemen en de toezichthouder van destijds, de nu in De Nederlandsche Bank opgenomen Pensioen- en Verzekeringskamer, droeg ook nog eens een steentje bij aan de crisis door de eisen rond de reserves van de fondsen aanmerkelijk te verscherpen.

Die crisis werd relatief snel bezworen. Fondsen werden geholpen door een opkrabbelende beurs en vergroten hun weerbaarheid door de goudgerande pensioenregelingen te versoberen. Vrijwel alle eindloonregelingen, tot 2002 heel gewoon, werden omgezet in middelloonregelingen: in plaats van een gegarandeerde uitkering van zeventig procent van het laatst verdiende loon is nu een uitkering van zeventig procent van het gemiddelde in een loopbaan verdiende salaris de norm.

De Nederlandse werknemer kreeg in 2002 ook voor het eerst te maken met de mogelijkheid dat zijn pensioenaanspraak of pensioenuitkering niet gelijk opging met loonstijging of inflatie. Dat leek tot dat moment een automatisme, maar in alle pensioenreglementen komt de bepaling voor dat fondsbesturen de zogeheten indexatie kunnen schrappen, hetgeen massaal gebeurde.

Ook de, in veel gevallen, veel te lage pensioenpremies gingen in 2002 omhoog, waardoor de pensioenfondsen weer snel vet op de botten kregen. De pensioenfondsen werden sinds 2002 voorzichtiger met het beleggen, maar niets is opgewassen tegen de waardeverdamping die de beurzen sindsdien trof. Er is geen pensioenfonds dat nog kan voldoen aan eisen rond de reserves.

De Nederlandsche Bank wil in april weten hoe de fondsen denken de reserves weer aan te vullen. Maar alle ’gemakkelijke’ oplossingen zoals een soberder pensioen en hogere premies, zijn al in 2002 ingezet. De fondsen kunnen alleen nog de indexatie schrappen, zonder dat dat veel zoden aan de dijk zet overigens. Inflatie is er niet of nauwelijks tijdens een economische crisis.

In een dergelijke situatie komen ingrijpende maatregelen dichterbij. Maatregelen moeten onmiddellijk de reserves van de pensioenfondsen ontlasten.

Een verhoging van de pensioenleeftijd helpt, anders dan bij de AOW, niet meteen. Als er niet tegelijkertijd iets aan de opbouw van het pensioen verandert, betekent het immers alleen maar dat er meer pensioen wordt opgebouwd. De besparing wordt dan alleen bereikt als bijvoorbeeld de opbouw per jaar lager wordt.

Voorzichtig duiken geluiden op, onder meer in Trouw van deskundigen, die mensen met een klein aanvullend pensioen in bescherming willen nemen en de hogere pensioenen de gevolgen van de huidige crisis willen laten opvangen. Deze, maar ook andere veranderingen kunnen sympathiek klinken (of voor anderen juist niet), maar tasten het karakter aan van het aanvullend pensioen. Iemand heeft premie betaald met het vooruitzicht op een bepaald pensioen. Dit is een afspraak tussen werkgevers en werknemers; de politiek staat eigenlijk buitenspel.

mailIcon print |