In de pikorde van de annalen is Bert van Marwijk zijn voorganger Marco van Basten als bondscoach voorbijgestreefd, nu Oranje is toegetreden tot de kwartfinales van het WK. Van Basten reikte in 2006 immers niet verder dan de achtste finales. Maar in een ander opzicht kan er nog geen onderscheid worden aangebracht.
Sterker, het spel van Oranje biedt nog even weinig opwinding als destijds in de groepsduels met Servië-Montenegro (1-0), Ivoorkust (2-1) en Argentinië (0-0), vóórdat in een veldslag tegen Portugal (0-1) de uitschakeling volgde.
Vier jaar geleden vroegen buitenlandse persvertegenwoordigers zich gaandeweg al af of er misschien niet een vooropgezet plan achter school. Gooide Oranje, dat zo vaak in schoonheid was gestorven, het bewust over een andere boeg? Een grovere belediging was op de keper beschouwd niet denkbaar voor Van Basten, die zijn ploeg juist frivool voetbal wilde laten spelen. Het lukte alleen slechts zelden. In Zuid-Afrika, waar het spel van Oranje ondanks vier zeges alweer op rij voorlopig stroperig mag heten, lijkt de geschiedenis zich te herhalen.
Nu krijgt Van Marwijk bij voortduring identieke vragen van buitenlanders over de, in sjablonen gesproken, on-Nederlands aandoende sobere speeltrant. Er is op voorhand een voornaam verschil met het tijdvak van Van Basten, in die zin dat Van Marwijk andere accenten heeft gelegd waarmee de defensieve stevigheid is toegenomen. Maar daarmee mag nog niet gezegd zijn dat Oranje zich nu bewust tot een minder attractieve speelwijze beperkt, zoals bij oppervlakkige beschouwing in de huidige situatie gauw kan worden gesuggereerd.
Met tal van tekenen kan worden aangegeven dat de spelers van Oranje, en zeker de meer getalenteerde onder hen, wel degelijk kunstzinniger voetbal zouden willen spelen. Nog ver vóór aanvang van het WK gaf Van Persie daarvan al blijk met zijn alweer bijna vergeten pleidooi voor het opstellen van de vier meest begaafde internationals: Sneijder, Robben, Van der Vaart en hij.
In de laatste oefenwedstrijd voor het WK, begin juni tegen Hongarije (6-1), vertoonden ze daarna een bijna exhibitionistische houding: alles wat ze konden, wilden ze bij wijze van spreken laten zien. In de achtste finale tegen Slowakije (2-1) viel er in die lijn opnieuw iets opvallends te constateren. Robben, pas net terug als basisspeler en zichtbaar nog niet topfit, vroeg alweer te pas en te onpas om de bal–één keer zelfs toen Kuijt al veel verder was opgerukt dan hij. Hij wilde mooie dingen laten zien, was met onverholen armgebaren zijn boodschap aan soms een half veld van hem verwijderde ploeggenoten.
Ze willen graag, de raspaardjes van Oranje, maar hun samenwerking verloopt eenvoudigweg nog niet naar wens, op voorlopig nog wel toereikende flitsen na. Daardoor trekken vanzelf andere elementen meer de aandacht, grofweg de facetten die Van Marwijk heeft toegevoegd en die normaal gesproken minder opvallend zijn. In Zuid-Afrika blijkt voorlopig de gestegen waarde van de controleurs Van Bommel en De Jong in het defensieve blok op het middenveld. Van Bommel was in de eerste twee groepsduels de beste speler van Oranje, en De Jong in de achtste finale tegen de Slowaken.
In algemene zin is het mede door hen geïnspireerde snelle heroveren van de bal aan te merken als een van de betere aspecten in het huidige spel van Oranje. Daarin leveren ook aanvallers als Kuijt, vanzelfsprekend in zijn geval, en de nog tegenvallende Van Persie hun aandeel. Dat duidt op een bepaalde mate van opofferingsgezindheid die als een van de vereisten op het hoogste niveau mag gelden, maar ook dáárvan gaat zelden een sprankeling uit. Nu het erom gaat spannen met de kwartfinale tegen het imposante Brazilië in het vooruitzicht, dringt zich daarmee langzamerhand de vraag op hoe dit Oranje in de herinnering zal voortleven als er vrijdag, onverhoopt doch verre van denkbeeldig, een einde komt aan zijn voorlopig toch tamelijk flauwe toernooi.
Daarmee geconfronteerd reageerde bondscoach Van Marwijk maandag gaandeweg geprikkeld, na de overwinning op Slowakije. Hij stelde de wedervraag bij welk team de liefhebber op dit WK wél het water uit de mond kan lopen. Zelfs Argentinië speelt reactievoetbal, oordeelde Van Marwijk, in jargon dat wordt gebruikt voor een speelwijze waarbij in eerste instantie op fouten van de tegenstander wordt geloerd. Daarmee deed de bondscoach van Oranje de realiteit enig geweld aan, maar dat zal mede zijn ingegeven door ergernis over de zuinige bejegening van het Nederlandse spel.
De voorbije dagen is al vaker al dan niet gekscherend beweerd dat de Duitsers, speelser dan voorheen, nu op z’n Hollands spelen en de Nederlanders op z’n Duits, maar dat is een vergaande simplificatie. In die beeldvorming is het authentieke Duitse spel stug, krachtig en niet fraai, en het is in elk geval niet de intentie van het huidige Oranje om in Zuid-Afrika zo te spelen. „Deze discussie wordt al honderd jaar gevoerd en hij zal nog honderd jaar worden gevoerd”, zei Van Marwijk maandag in Durban, na het duel met de Slowaken. „En wat zeggen ze als we aanval na aanval op de mat leggen en er in de achtste finale uitvliegen?”
Wesley Sneijder bracht het laveren van Oranje tussen degelijkheid en droom onlangs aardig onder woorden, toen hij op verzoek terugblikte op het bewind van Van Basten en diens nadrukkelijk hang naar mooi voetbal. „Uiteindelijk was dat geen succes, dat kunnen we toch concluderen”, zei Sneijder. „En we kunnen pas na dit WK concluderen of dit een succes is.” Waarmee de spelmaker treffend aangaf dat er ook onder Van Marwijk ondanks vooruitgang in ’on-Nederlandse’ aspecten, nog niets gewonnen is–met een loodzware beproeving op komst.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.