*

 

Gefascineerd door geel platvoetje en truffelgitje

Door: redactie − 30/06/10, 00:00

Sommige natuurliefhebbers ontwikkelen een passie voor één bepaald dier of plantje. Deel 5 van een serie over enthousiaste specialisten: ’vliegenvanger’ Wouter van Steenis.

  • Van Steenis hanteert een loupe om een zweefvlieg te determineren. (FOTO MONICA WESSELING)

Monica Wesseling

Kleine woudzwever, onvoorspelbare bijvlieg, bokspootplatbek, wimperzomerelfje of glimmend zwartneusje; een zweefvliegenboek laat zich lezen als poëzie. De namen zijn schitterend, de beesten zelf lijken weinig meer dan kleine vliegende, veelal onooglijke beessies.

Niet voor Wouter van Steenis (44), sinds zijn zeventiende geïntrigeerd door zweefvliegen en inmiddels bedenker van heel wat Nederlandse namen. Buiten met hem praten is knap onrustig. Zijn ogen volgen elke zweefvlieg en om de haverklap zwiept hij met zijn net. Hij is gefascineerd door zweefvliegen, „maar dat hadden net zo goed beekprikken of zandloopkevers kunnen zijn. Mijn broer kwam thuis van een NJN-kamp, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie, met een zweefvliegentabel. Samen gingen we het park in en ontdekten vele zeldzaamheden. Later beseften we dat we die tabel absoluut niet hadden begrepen, maar toen waren we al gegrepen. Andere jongens hadden automerken en voetbal; wij zweefvliegen.”

Van Steenis’ liefde bleek persistent: „Er zijn in Nederland 330 soorten bekend – helaas heb ik zelf nog nooit een nieuwe ontdekt – en ze zijn talrijk. Je kunt dus eigenlijk overal altijd wel zweefvliegen zien.” Bijna verontschuldigend: „sommige soorten zijn uiterst zeldzaam en da’s natuurlijk prettig voor het jagersinstinct”, meteen daarop Eristalis pertinax en Platycheirus albimanus mompelend terwijl hij naar engelwortel kijkt.

Van Steenis is in zijn dagelijks leven ecoloog bij Natuurmonumenten en kijkt ook in zijn vrije tijd met een ecologische blik. „Omdat de larven heel verschillende levenswijzen en biotopen hebben waaraan ze veelal hoge eisen stellen, kunnen ze als indicator dienen. De onder water levende larve van de kortspriet-korsetzweefvlieg eist bijvoorbeeld schoon water en de meeste volwassen zweefvliegen hebben een bloemenrijkdom nodig om in hun energiebehoefte te voorzien. Waar vind je nog velden vol bloemen? Kennis van zweefvliegen vertelt je hoe het beheer ervoor staat. Hier op landgoed Nijenrode bijvoorbeeld, waar ik inventariseer. Ik heb hier bijna 100 soorten aangetroffen. Het beheer gaat prima.”

Tien jaar geleden besloot hij samen met een paar andere ’vliegenvangers’ dat er in de serie ’De Nederlandse Fauna’ een zweefvliegenboek moest komen. Er bestonden echter nauwelijks Nederlandse namen en om het boek (uiteindelijk 442 bladzijden) ook voor ’gewone mensen’ aantrekkelijk te maken, waren die wel nodig. Al brainstormend, en vooral heel veel grappend en lachend bedacht de groep de verrukkelijkste namen. Zo kreeg de veelvoorkomende en daarmee voor leken makkelijk herkenbare Eristalis pertinax de naam kegelbijvlieg. „Zoek naar een beestje dat lijkt op een honingbij die schokkerig vliegt, snel accelereert, stationair in de lucht hangt en gele voorvoetjes heeft en je hebt hem.”

Het boek kostte hem jarenlang een groot deel van zijn vrije tijd. Inmiddels is Van Steenis vader van Merel en tellen andere zaken zwaarder. Zijn ’zweefvliegblik’ uitzetten kan en wil hij niet. „Ik inventariseer Nijenrode nog en geef bijzondere waarnemingen elders door aan EIS (European Invertebrate Survey). En ja, een keer per jaar ga ik met m’n broer ergens in het buitenland zweefvliegen zoeken. Lekker een week lang over zweefvliegen praten.”

Weer zoeft het net. Neoascia dispar: zwart, onbeduidend en nog geen 5 mm groot.

mailIcon print |