We eten bij vrienden in het zuiden van de stad. Ze wonen bij een klein, door de stad opgeslokt landgoed op een uitloper van de Drentse zandgronden. Als het donker is lopen vriend en ik het parkje in.
Ik houd van oude bomen bij nacht. Als puber sloop ik ’s nachts het huis uit en het bos in. Ik deed de roep van bosuilen na en wist er soms vier tegelijk te lokken. Geheimzinnig, beklemmend, spannend. Voor twee volwassen mannen is het minder spannend, maar wel sfeervol.
Er loopt een hondje met ons mee. Ik kijk over mijn schouder. Twintig meter achter ons loopt een man. Het is zeker zijn hondje. Het hondje geeft de voorkeur aan ons. Wij lopen voorop. Plotseling komt de man tien meter voor ons uit een zijpad het pad op. Hij heeft ons blijkbaar met een boog ingehaald en moet stevig doorgestapt hebben. Nu is hij de voorste. Het hondje rent naar hem. Aan zijn silhouet zie ik dat de man zijn handen tot een bol vouwt en aan zijn mond zet. Dan fluit hij de roep van een bosuil. Ik antwoord met hetzelfde geluid. Het silhouet draait zich met een ruk naar ons om. We lopen op elkaar af en groeten. ’Zitten hier uilen? ’vraag ik. ’Ja’, zegt hij, ’hoor maar!’ En warempel, een bosuil roept door het park.
Dan herken ik de man als een oude studievriend. We lachen, geven de uil antwoord en luisteren. Dat zuivere, holle fluiten. Wij wonen in het noorden van de stad, op de klei. Groningen is de noordgrens van bosuilenland, wij horen ze nooit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.