Vele miljarden aan hulpgeld zijn inmiddels Afghanistan binnengesluisd. Het heeft de Afghanen rijkdom gebracht, maar velen zijn straatarm gebleven. De corruptie viert hoogtij. „Waar is al dat geld naar toe gegaan?”
De nacht is nog jong in Martini, Afghanistans enige nachtclub. Een jonge vrouw met witblond haar en een zwarte spijkerbroek die op scheuren staat, is aan het paaldansen zonder paal. Een Amerikaanse vrachtwagenchauffeur kust de hand van een vrouwelijke bezoeker. Zijn collega, een forse gedrongen Texaan met een baardje en een baseballpet, neemt een flinke teug van zijn bier en roept boven de discodreun uit: „lrak en Afghanistan zijn allebei mijn tweede thuis. Ik houd van gevaar.” Hij kijkt alsof hij zojuist de lotto gewonnen heeft. Tussen de buitenlandse clientèle bevindt zich slechts een enkele Afghaan. Het is in het streng islamitische Afghanistan verboden om alcohol te schenken aan Afghanen en daarom kunnen alleen degenen met de juiste connecties naar binnen.
De recent geopende Martini club is lang niet de enige plek waar bezoekers zich ver van de rest van Afghanistan kunnen wanen. De serene luxe die de website van de Kabul Health Club ademt, wordt ook achter de zware metalen deuren met bewakers waargemaakt. Het fitnesscentrum heeft onberispelijke sauna’s en massageruimtes. Het restaurant en de kleedruimtes zijn spierwit, net als de uniformen van een aantal personeelsleden. Voor 70 dollar krijgen handen en voeten een opknapbeurt en voor 500 dollar kunnen aanstaande bruiden zich laten opmaken voor hun grote dag.
Miljarden aan hulpgeld en duizenden expats hebben klandizie voor luxe huizen en allerlei gelegenheden gecreëerd in het straatarme land. Ook al beperkt de verslechterde veiligheidssituatie de bewegingsvrijheid van veel buitenlanders, hun aanwezigheid geeft nog altijd flinke impulsen aan de economie. „We scheppen een vijfsterren levenswijze in een nul sterren land”, zegt een Indiase expat terwijl hij in de tuin van een hotel zit te lunchen.
In de acht jaar sinds de taliban vertrokken uit de hoofdstad, is Kaboel een oord van extreme contrasten geworden. Rond de dure gelegenheden zwerven gehandicapte bedelaars en kinderen. Een vijfjarig jochie leurt om elf uur ’s avonds steevast nog bij een van de restaurants met een pakje kauwgum. „Werk?” vraagt zijn oudere broertje namens de vader van het gezin aan elke buitenlander die hij ziet. De WFP, het voedselprogramma van de Verenigde Naties, meldt dat bijna eenderde van de bevolking niet genoeg te eten heeft en dat meer dan de helft van de kinderen onder de vijf jaar ondervoed is.
Het zijn lang niet alleen dollars uit buitenlandse beurzen die de luxemarkt stimuleren. Ook talloze Afghanen zijn rijk genoeg geworden om er een levensstijl op na te houden die mijlenver afstaat van die van de gemiddelde landgenoot. De opiumhandel en smokkel zijn al jarenlang een lucratieve bron van inkomsten. Maar ook dankzij contracten met buitenlandse organisaties in de bouw, de aanleg van wegen en de beveiliging verdienen Afghanen die over de juiste netwerken en genoeg smeergeld beschikken een fortuin. Met commissiegeld voor al dit soort transacties vallen eveneens grote bedragen binnen te halen.
De wijk Sherpur is het levende bewijs dat er onder Afghanen veel geld in omloop is. Langs de verwaarloosde zandpaden staan enorme villa’s met spiegelende ruiten, Griekse zuilen en overdadige balkons. De wand van het makelaarskantoor Property Consulting hangt vol met foto’s van soortgelijke onderkomens. De twee employés schieten in de lach bij de vraag wie de eigenaars zijn, maar het is een lach zonder vrolijkheid. De vinger van Abdul gaat van foto naar foto en hij somt de namen van de huizenbezitters op: familie van de president, een parlementslid, een legercommandant, een hooggeplaatste ambtenaar. „Het is een en al maffia hier”, zegt hij misprijzend. „En ze bezitten meestal meerdere huizen.” Die worden vaak verhuurd aan buitenlandse organisaties voor 10.000 a 20.000 dollar per maand. Ambassades tellen soms zelfs wel 30.000 dollar voor hun onderkomens neer. „Iedereen die ik spreek, klaagt over de corruptie”, vertelt Rahman, een Afghaanse ingenieur uit Duitsland die over is voor een bezoek aan zijn familie. Hij staart naar de hobbelige zandweg met het open riool en rondslingerend vuilnis en zucht: „Acht jaar, miljarden dollars en nog altijd dit. Waar is al dat geld naar toe gegaan?”
Het is een vraag die overal te beluisteren valt. Het populaire wekelijkse radioprogramma ’Safaie Shahar’ (Maak de Stad Schoon) ontvangt talloze telefoontjes van luisteraars met klachten over dubieuze transacties. Op de muren van het Emergency Hospital en enkele huizen in de wijk Sherpur is gewaagd kritische graffiti van een geheimzinnige afzender verschenen. Co$t of war? staat er in vetzwarte tekens met daarnaast poppies (uitgebloeide papaver) of pantserwagens en ander wapentuig. Volgens de organisatie Transparency International steeg Afghanistan de afgelopen jaren nog verder op de ranglijst van corrupte landen. Alleen in Somalië gaat het er nu nog erger aan toe.
Niet alleen de corruptie, ook de wetteloosheid is zichtbaar in de straten van Kaboel. Ondanks de pogingen alle weggebruikers te registreren, scheuren er nog altijd Toyota Landcruisers met getinte ramen zonder nummerborden van lokale vips of buitenlandse elitetroepen rond. In de laadbak van pick-ups etaleren mannen zonder uniform hun geweren, hier en daar sjouwen agenten zelfs met raketwerpers op hun schouder. De enkele ambtenaren die proberen de wet te handhaven stuiten op malafide politie en omkoopbare aanklagers en rechters. Af en toe worden maatregelen genomen, maar het is een publiek geheim dat de grootste en machtigste zwendelaars nog altijd buiten schot blijven.
In een tent tegenover de zwaarbeveiligde volksvertegenwoordiging ageert de parlementariër en onafhankelijk presidentskandidaat van vorig jaar Ramazan Bashardost als een van de weinigen voortdurend openlijk tegen deze gang van zaken in zijn land. Binnen hangen spreuken zoals ’Afghanistan is het land van iedereen’ en een variant op een tekst van Abraham Lincoln: ’Democratie is een parlement voor en door het volk.’ Bashardost draagt een simpele witte shalwar kameez (een wijde broek met tuniek) en zwarte plastic sandalen. Ook verder is eenvoud het handelsmerk van de 49-jarige Bashardost die in Frankrijk rechten en politicologie studeerde. Hij rijdt in een kleine Suzuki die in de zwarte rode en groene kleuren van de Afghaanse vlag geschilderd is. Het voor politici en andere vips zo gebruikelijke kordon van gewapende lijfwachten ontbreekt.
Om de beurt nemen bezoekers plaats op de bordeauxrode plastic stoelen in de tent die als kantoor fungeert. Een kromgebogen bejaarde met een witte baard ontvangt geld voor een medische behandeling. Een gesluierde vrouw wil over familieproblemen praten.
Tussen die consulten door maakt Bashardost zijn boodschap duidelijk. „Corruptie is volkomen legaal in Afghanistan”, zegt hij. „Van minister tot het laagste niveau van ambtenaren.”
En vanwege de lage salarissen is volgens hem iedereen wel gedwongen aan de dubieuze handelingen mee te doen. Een paar jaar geleden eiste hij ook dat alle buitenlandse hulporganisaties het land zouden verlaten omdat ze meer kwaad dan goed deden.
Tegenwoordig keert hij zich alleen tegen degenen die nutteloze projecten uitvoeren. „Ik sta aan de kant van de buitenlandse belastingbetalers”, zegt hij zonder een spoor van ironie in zijn stem.
Dan richt zijn betoog zich weer op de inwoners van zijn eigen land. „Afghanen zijn moe van alles en we hebben in ons land geen cultuur van protest, dus echt verzet blijft uit. We hebben een nieuwe generatie met nieuwe normen en waarden nodig die niet in tribale en etnische verbanden denkt. En een speciaal ministerie dat krachtig kan optreden tegen corruptie en wetteloosheid.” Na die woorden trekt er een glimlach over zijn gelooide gezicht. „Ik weet dat ik de Don Quichot van Afghanistan word genoemd.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.