Ja, dat uitsterven van de kleine winkelier, hoe lang is dat al gaande? Dertig jaar? Twintig? Al zo lang dat je vermoedt dat dat hardnekkige uitsterven als een karakteristiek bij de soort is gaan behoren. Zie je een kleine winkelier, dan denk je aan uitsterven. De ijsbeer van de middenstand.
Ooit waren alle winkeliers klein. Tot ze geketend raakten, en aaneengesloten, en meer en goedkoper konden in- en verkopen, en de overgebleven kleintjes uit het straatbeeld duwden. Al die ketens liggen nu als meeldauw over onze binnensteden – en daartussen, sporadisch nog – de uitstervende kleine winkelier.
Zelf zag ik vorig jaar zo’n kleine winkelier zijn laatste fase in gaan, een herenmodezaak was het, die zich had toegelegd op de fijnste Engelse textiel en daarmee zijn eigen cliĆ«ntèle had opgebouwd. Tot een huurconvenant voor het bedrijfspand verliep en zo hoog werd opgeschroefd dat de winkel moest sluiten. Een hofleverancier was het geweest. Ik kocht er nog een wit jasje en een veel te dure zijden pyjama – in de opheffingsopruiming.
Nu is weer eens de noodklok geluid, uit onverwachte hoek, door een vastgoedonderneming die heel groot is geworden met verhuur aan winkelketens. De onderneming beschikt in Europa over 1,4 miljoen vierkante meter winkelruimte, gegroepeerd in centra die, in Nederland tenminste, allemaal op elkaar lijken.
De topman zei gisteren in deze krant dat hij in zijn winkelcentra meer kleine winkeliers zou willen hebben, zelfs tegen een lagere huur, maar dat dat niet kan omdat de ketens dan tegen een zak geld dat huurcontract afkopen, inclusief de lage huur, want dat mag volgens de wet. Die wet moet dus anders.
De topman sprak vooral over zogeheten A-locaties: dat zijn plaatsen waar we graag met zoveel mogelijk anderen samendrommen. Dat dromgedrag, is dat wel eens onderzocht? Bij een kleine winkelier kun je niet drommen, die moet het juist hebben van een persoonlijk advies, uitleg over een product, een praatje met een klant van wie hij de naam kent, kortom tijd. Maar wij willen drommen. En dat is graaien, grijpen, scannen, pinnen – woordeloos, snel, anoniem. We willen niet meer een zaak binnenstappen en begroet worden met een ’kan ik u helpen?’ Wij willen niet geholpen worden. We helpen ons zelf wel.
Gisteren stonden twee vrouwen voor een etalage. Op het raam was het woord ’opheffingsuitverkoop’ geplakt. „Ik voel me hier soms schuldig over”, zei de een tegen de ander. Ik keek in de etalage. Zilveren lepeltjes, porseleinen lampekappen, mondgeblazen wespenvangers. Er lag iets wanhopigs over dit aanbod. Een smeltend stuk ijsschots. Ik denk niet dat de topman dit in zijn winkelcentrum wilde.
In de winkelruimte van de verdwenen herenmode zat nu tijdelijk een dumpzaak voor goedkope jurkjes. Ik stapte er binnen. Graairekken. En geen verkoopster in zicht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.