Of we wel op tijd op school komen, vraagt zoon een beetje bezorgd. Het is tien voor acht. Als we over een half uur het huis verlaten, halen we het nog.
Zoon is ’s ochtends doorgaans slechts met grote moeite zijn bed uit te krijgen. Dat is altijd zo geweest, en sinds hij het genot van stiekem strips lezen onder de dekens heeft ontdekt, is het er niet beter op geworden. Bovendien mag hij onder het ontbijt ’eetlezen’: met een boekje naast zijn bord rustig wakker worden – een bezigheid waarvan hij zich niet makkelijk losscheurt. Maar vandaag staat de voordeur al open voordat ik mijn jas aanheb en is hij spontaan bereid de tas van zusje in de fietsmand te tillen.
Of ik wat harder kan trappen, vraagt hij. „We móeten op tijd zijn, want vandaag geeft Youssef zijn spreekbeurt.” Zoon wil er geen seconde van missen.
Wat is er dan zo speciaal aan de spreekbeurt van Youssef, vraagt dochter. „Hij gaat over een hond”, zegt zoon. Nou en? „Islamieten hebben nooit honden als huisdier”, weet zoon. „En bij Youssef thuis hebben ze niet eens een computer. Hoe kan hij dan een spreekbeurt houden over een hond?” Zoon verkneukelt zich bij voorbaat.
Ik begin een opvoedkundig praatje. Dat het niet leuk is genoegen te scheppen in het falen van een ander. Dat zoon het ook niet fijn zou vinden als anderen niet kunnen wachten totdat hij iets fout doet. Dat het leven van Youssef misschien wel niet zo gemakkelijk is als het zijne. Dat Youssef een aardige jongen is.
Met dat laatste is zoon het niet eens en volgens hem kan ik dat ook helemaal niet weten – zit ik soms bij Youssef in de klas? Nou dan! Verder laat hij mijn preek gelaten over zich heen komen. Tevreden constateert hij dat we op tijd op het schoolplein staan.
Bij het avondeten informeer ik naar de spreekbeurt. Die is er niet van gekomen, zegt zoon. Nadat Youssef had verteld dat een hond een dier is dat vaak moet worden uitgelaten en graag speelt, was het heel lang stil. Toen barstte hij in snikken uit. „Hij was zijn blaadje vergeten en hij had geen plaatjes of niks”, zegt zoon. Ik laat het tafereel met een zucht op me inwerken.
„En dan nu het goede nieuws”, zegt zoon, die de zaak graag luchtig houdt. „Ik heb niet gelachen, mam.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.