De ondergang van ABN Amro laat zich niet eenduidig beschrijven. De parlementaire onderzoekscommissie kreeg gisteren twee totaal verschillende verhalen te horen.
„Achteraf gezien had ik in het voorjaar van 2007 moeten aftreden”, zei oud-topman Rijkman Groenink van ABN Amro gisteren tegen de parlementaire onderzoekscommissie naar de kredietcrisis. Maar als het aan zijn baas, voorzitter van de raad van commissarissen Arthur Martinez, had gelegen, was Groenink al in de zomer van 2006 ontslagen. „Enkele maanden na mijn aantreden als voorzitter had ik het vertrouwen in de raad van bestuur, met Groenink als leider, al volledig verloren”, zei de Amerikaan na afloop van zijn eigen gesprek met de commissie-De Wit.
De onderzoekscommissie kreeg gisteren twee totaal verschillende verhalen voorgeschoteld van twee van de hoofdrolspelers in de ondergang van ABN Amro. Groenink beklaagde zich andermaal over het feit dat toezichthouder De Nederlandsche Bank én de minister van financiën goedkeuring gaven voor het kopen en opsplitsen van de bank. Het was geen persoonlijk belang of animositeit dat hij het betrokken bankentrio afhield –hij zag al in een vroeg stadium de risico’s van opsplitsing, maar ook het gebrek aan financiële draagkracht bij de kopers.
Vooral Fortis had een probleem met de financiering van het bod, en veel te weinig eigen vermogen om vervolgens als fusiebank stabiel te kunnen doorgaan, zei Groenink. Daarvoor waarschuwen lukte al snel niet meer, omdat zelfs zijn eigen raad van commissarissen hem niet de benodigde steun gaf om tegen het bod in te gaan. „De commissarissen trokken zich meer en meer aan van de aandeelhouder”, aldus Groenink. „Ik had geen dekking meer om het bod tegen te houden.”
Onzin, aldus Martinez. „Wij vonden het bod van het trio ook veel te hoog, en het opsplitsen bracht enorme risico’s met zich mee. Groenink had geen enkele beperking om daar tegenin te gaan. Maar als commissaris kun je daarover publiekelijk niet naar buiten treden.” Bovendien, zo hield Martinez de commissie voor, hoe kwam het eigenlijk zover dat de bank een overnameprooi werd?
Waar Groenink volhield dat het slechte presteren ’alleen maar perceptie was’, zag Martinez een bank die zijn kosten niet onder controle kreeg. En waar Groenink stelde dat ABN Amro vanaf 2001 radicaal afscheid nam van de ambitie ook een zakenbank te worden, zei Martinez dat „de zakenbank ons dusdanig verzwakte dat we van een overnemende partij een overnamekandidaat werden”. „Kapitalisme is soms harteloos”, zei Martinez. „Het recht op zelfstandigheid moet je verdienen, en ABN Amro verdiende dat recht niet langer.”
Beide heren zagen bij zichzelf wel fouten die ze achteraf bekeken betreurden. Groenink had in het voorjaar van 2007 willen opstappen, omdat hij tegen het bod van het bankentrio was. „Maar ik had zoiets van: de kapitein verlaat als laatste het schip.” En strategisch gezien was de overname van het Italiaanse Antonveneta in 2005 misschien wel juist geweest –de timing was slecht. Door de lange strijd, en dalende winsten per aandeel, kregen activistische aandeelhouders meer grip op ABN Amro. Dat was al gevoed door in 2000 de ambitie uit te spreken bij de top tien van een zelf gemaakt lijstje van banken te moeten staan, en liever nog in de top vijf.
Martinez deelde die laatste conclusie van Groenink –die ambitie was ’onrealistisch’. Zelf verweet hij zich vooral de raad van bestuur niet harder te hebben aangepakt op de kostenbeheersing, vooral aan de zakenkant. De alsmaar oplopende beloningen voor handelaren bij de banken, de focus op aandeelhouderswaarde –Martinez zag het gebeuren maar deed te weinig. „Ik draag daar de verantwoordelijkheid voor en eerlijk gezegd: ik heb mijn werk niet bepaald goed gedaan.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.