Als je dood bent en je ligt in een kist onder de grond, hoe kan je ziel dan de weg naar de hemel vinden, mam? Dochter kijkt me ernstig aan; in de ene hand een rijstwafel, in de andere een roze espressokopje met melk, boven haar mond een snor van chocoladepasta.
Het is maandagochtend een uur of acht en we lopen nu al achter op schema. Zoon en dochter beginnen de week met een atletiekochtend – of ze thuis hun gymkleren alvast willen aandoen, vroegen de juffen vorige week vriendelijk per brief. Dat verzoek herinner ik me pas als we beneden staan. Alles weer uit dus. De gymtassen moeten opgesnord, de lunchpakketjes nog gemaakt. Ondertussen belt een collega-moeder: moeten de kinderen op school worden afgezet of bij de sporthal in de buurt? Nu twijfel ik ook – waar ligt die brief eigenlijk?
Nou, vraagt dochter, hoe kan dat dan? Verstrooid kijk ik haar aan, terwijl ik een handdoek in een gymtas prop. Hoe kan wat? Dat van die ziel, zegt zoon, zonder op te kijken van het stripboek naast zijn ontbijtbord. Ik loop altijd minstens één ronde achter op mijn kinderen.
Op goed geluk begin ik een verhaal over een ballon – waarbij de ballon het lichaam is en de lucht erin de ziel; onzichtbaar, schijnbaar niets, maar essentieel. Wat in de kist onder de grond gaat, is een lege ballon, het omhulsel; de ziel heeft dan al dagen de tijd gehad richting de hemel te zweven. En nu hup, jassen aan, tassen mee, op de fiets.
Toch snap ik het nog niet helemaal, zegt dochter peinzend vanaf haar stoeltje achterop. Terwijl ik zo’n vijftig kilo kind tegen een brug probeer op te fietsen, zoek ik een ander beeld. Ik probeer iets met een speelgoedkonijn en een lege Duracell-batterij – maar volgens zoon, die achter dochter zit, valt een batterij eerder te vergelijken met een hart dan met een ziel, en daarin geef ik hem gelijk.
Zoon vraagt zich af of een ziel ogen en oren heeft, want hij heeft stellig de indruk dat mijn overleden vader hem kan zien en horen. Dochter denkt van wel; een ziel is een soort schaduw, een afdruk van het lichaam waaruit zij tevoorschijn is gekomen. Ik zet de fiets tegen het schoolgebouw, duw de kinderen hun tas in de hand en knijp mijn ogen samen in een poging het beeld voor me te zien.
„Mám!” Dochter schudt aan mijn mouw. „Je hóórt me niet!” Verstrooid kijk ik haar aan. „Wat is hordelopen?” Hordelopen? Alweer loop ik minstens één ronde achter.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.