*

 

Waarom is zo ?

Sebastien Valkenberg − 11/02/10, 00:00

Twee filosofen, Sebastien Valkenberg en Ger Groot, schrijven op deze plaats om beurten een wekelijkse polemische column over een actueel thema.

Wat zal Sven Kramer meer vrezen: de tegenstand van Enrico Fabris op de vijf kilometer of de huldiging als hij die afstand heeft gewonnen? Gehuldigd worden is voor Nederlandse sporters bepaald geen pretje. Als ik schaatser was, zou ik haast overwegen mijn race doelbewust te saboteren. Alles om maar niet te hoeven opdraven in het Holland Heineken House (HHH).

Deze Hollandse enclave reist al sinds 1992 mee met Nederlandse sporters die op jacht gaan naar Olympisch goud. Dit jaar was het HHH al lang en breed onderweg naar Vancouver toen nog niet eens bekend was hoe de vaderlandse schaatsequipe eruit zou zien. De bedoeling is dat het fungeert als een ontmoetingsplaats in den vreemde voor de sporters en andere betrokkenen.

Een ontmoetingsplaats? Als je het formeel wilt stellen, is er inderdaad sprake van een plek waar mensen elkaar kunnen treffen. Maar ja, op deze manier transformeert ook het Zwarte Cross Festival in een partijtje in de buitenlucht om de interactie tussen mensen te bevorderen.

Nee, zo doe je het fenomeen geen recht. Wat beklijft van het HHH zijn de beelden van een tent met daarin een deinende menigte. In één shot wordt duidelijk waarom Heineken vier zeecontainers met bierfusten à 50 liter naar Vancouver meeneemt.

Nu heb ik geen enkel bezwaar tegen een mooi feest. En dat bier zich heeft bewezen als een geschikte katalysator voor de feestvreugde lijkt me evident.

Het gaat mis als de sporters de groot uitgevallen partytent binnenkomen die het HHH is. Ze hebben een gouden medaille gewonnen (of een andere kleur) en worden door het publiek in het zonnetje gezet. Dat is althans de bedoeling. Want een passend eerbetoon wil het maar niet worden. Zoiets luistert namelijk nauw, grootse prestaties lauweren is een kunst.

In de oudheid beheerste men die kunst tot in de puntjes. De oude Grieken konden zich beroepen op een geraffineerde etiquette van de viering. Een voorbeeld daarvan zijn de Zegezangen van Pindaros, die bekend stond als ’de zanger van Hellas’. Talrijke oden heeft hij geschreven, onder meer voor – hoe kan het anders – de olympische kampioenen van weleer.

’Mijn lieflijk lied looft machtige kransen en triomfen/gewonnen in Olympia’. Zo wordt Psaumis van Kamarina, berijder van het muilezelspan, op het schild gehesen, het verbale schild wel te verstaan. Want dat was de functie van het loflied: het was bedoeld om de afstand te benadrukken tussen de gewone stervelingen en de sportheld. Zijn uitzonderlijke prestaties deden hem meer op een god lijken dan op een mens.

Kom daar nog eens om anno 2010. 2500 jaar later is van deze verheffing weinig meer over. Het is zelfs omgekeerd. Zie de sporters hun entree maken in het HHH. Ze worden verwelkomd door pompende bassen. Op deze tonen kun je niet veel meer doen dan wat de rest van de tent al doet: hossen. Er ontstaat wat zich nog het best laat omschrijven als een carnavalssfeer. Pas echt uitzinnig wordt men als je een aanloop neemt en een duik neemt in het publiek.

Kan het symbolischer? Teruggekeerd uit de arena moeten sporters letterlijk afdalen tot het niveau van de menigte. Terwijl ze met hun prestaties hebben laten zien dat ze het omgekeerde verdienen.

Als Kramer straks daadwerkelijk de drie gouden plakken bij elkaar heeft gereden, valt het voor hem te hopen dat het onvermijdelijke uitblijft: dat hij sámen met het publiek ’We are the champions’ moet zingen. Dat zou de ultieme miskenning zijn van zijn prestaties: híj zich vier jaar lang uit de naad werken en wíj met zijn allen kampioen.

mailIcon print |