Twee filosofen, Sebastien Valkenberg en Ger Groot, schrijven op deze plaats om beurten een wekelijkse polemische column over een actueel thema.
De Nederlandse justitie gaat polygamie actiever bestrijden, zo maakte minister Hirsch Ballin vorige week bekend. De Nederlandse waarden staan een dergelijk gebruik niet toe, en de wet verbiedt het trouwens al van oudsher. Polygame huwelijken komen in Nederland dan ook alleen voor als import.
De herleefde justitie-ijver lijkt in alle opzichten een goede zaak. Polygamie staat licht in het teken van de vrouwenonderdrukking, en daar is Nederland mordicus tegen. Enigszins ontnuchterend is wel dat de gewraakte misstand kennelijk niet louter bestaat in de vorm van één man met meerdere vrouwen. Vorig jaar telde Nederland 1374 mensen die met minimaal twee mannen of twee vrouwen zijn getrouwd, zo meldde deze krant.
In ieder geval mogen we ervan uitgaan dat beide varianten door justitie zullen worden aangepakt. Gelijke behandeling is de hoeksteen van elke gerechtigheid.
Toch is die justitiële ijver niet zo vanzelfsprekend. Want hoe standvastig is de Nederlandse norm ten aanzien van het huwelijk eigenlijk? Zo’n twintig, vijfentwintig jaar geleden vormde het nog in bijna ieders ogen een verbond tussen man en vrouw; nu één tussen twee mensen, onafhankelijk van hun geslacht. Het homohuwelijk werd ingevoerd om een einde te maken aan een eeuwenoude discriminatie.
Het is de vraag of die er in juridische zin wel was. Een homo mocht niet trouwen met een andere homo, maar een heteroseksuele man mocht dat ook niet met een andere man – voor vrouwen gold hetzelfde. Van rechtsongelijkheid was dus helemaal geen sprake. Verschil was er alleen in het feit dat het eerste paar het verbodene wél zou willen en het tweede niet – maar daar heeft het recht geen boodschap aan.
Is dat spijkers zoeken op laag water? Niet voor wie het homohuwelijk verdedigt met een beroep op juridische gelijke behandeling – en precies dát gaf de strijd ervoor zo’n nobel en onwrikbaar argument in handen. In werkelijkheid heeft het homohuwelijk eenvoudigweg de definitie van het begrip ’huwelijk’ veranderd. Dat mag, en het is heel effectief – maar het klinkt wel minder heroïsch.
Dat nieuwe huwelijk, als de verbintenis tussen twee personen in plaats van tussen man en vrouw, is inmiddels redelijk geaccepteerd. Díe erfenis van de allesomverwerpende jaren zeventig is in ieder geval verzilverd. Maar tegelijk werd een ander deel van de toenmalige seksuele rebellie allerminst gehonoreerd. Want wie zegt eigenlijk dat het gezinsmodel van twee ouders met of zonder kinderen alleenzaligmakend is, zo werd in die tijd óók geroepen.
In 1972 publiceerden de filosoof Gilles Deleuze en de psychiater Félix Guattari hun geruchtmakende boek Anti-Oedipus. Ze trokken daarin heftig van leer tegen het klassieke gezinsmodel mama-papa-kind: de zwaarbeladen driehoeksverhouding die volgens hen in de moderne tijd zoveel psychisch leed veroorzaakt had.
Gezinnen zijn er in veel verschillende vormen, met talrijke verschillende geslachten (in beide betekenissen) – zo hielden Deleuze en Guattari hun lezers voor. Het kerngezin van mama-papa-kind is pas een recente uitvinding en erg succesvol was het volgens hen niet gebleken. Psychiaters hebben hun handen vol aan de gebroken zielen die er het resultaat van zijn.
Bijna veertig jaar later blijken zij een kleine overwinning te hebben geboekt, en tegelijk een groot verlies. Het homohuwelijk werd alom als bevrijding binnengehaald. Maar de norm werd eens temeer het tweeoudergezin-met-kind. Alle andere vormen zijn sterker getaboeïseerd dan ooit. Misschien is dat terecht, maar dat beschavingsoffensief heeft wel alle kenmerken van een retour à l’ordre waarin het paar opnieuw de norm stelt. Het aangekondigde optreden van justitie tegen de polygamie is daar een onmiskenbaar teken van. Het homohuwelijk is dat, paradoxaal genoeg, niet minder.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.