In The New York Review of Books van 17 december schreef Tony Judt een briljant essay onder de titel ’What is living and what is dead in social democracy?’ Judt beschrijft een aantal maatschappelijke toestanden waar wij nu op zijn zachtst gesproken last van hebben, maar die ook de gedaante van een ramp kunnen aannemen. Eén van die toestanden is ’economisme’, de hedendaagse neiging om ons bij voorstellen op het gebied van maatschappelijke verandering niet af te vragen of iets goed is of slecht, maar of het efficiënt is, productief, of het iets betekent voor het bruto nationaal product. „Deze neiging om morele afwegingen te vermijden, om ons te beperken tot vragen over winst of verlies – economische vragen in de meest strikte zin – is geen instinctieve menselijke conditie. Het gaat om een verworven smaak.”
Judt legt uit dat wij in de schaduw leven van een debat over deze kwestie dat reeds vele jaren eerder is begonnen. Het gaat om de vraag naar de oorzaak van de catastrofale ontwikkelingen die in de twintigste eeuw plaatsvonden. Hoe kon het gebeuren dat de liberale democratie in het begin van de twintigste eeuw instortte waarna er via de Eerste Wereldoorlog voor politiek links even de ruimte ontstond om een socialistische maatschappij te vestigen? We hebben het over de toenmalige ontwikkelingen in Rusland, Oostenrijk en Duitsland en de vragen die daardoor worden opgeroepen over staatsbemoeienis met het economische leven. Links faalde in de poging om deze bemoeienis aan de soldaten en arbeiders over te laten, al duurde het in Rusland nog driekwart eeuw voordat dit falen werd toegegeven. In Duitsland betekende dit echec van links de geboorte van het fascisme. Het liep niet overal zo. In Engeland kwam Labour wel aan de macht, maar het resultaat was niet een fascistisch regime, maar de verzorgingsstaat.
Het gaat Judt erom te laten zien dat veel van de kwesties die ons nu bezorgd maken niet begrijpelijk zijn zonder een terugblik op het oude debat over de aard en de mate van staatbemoeienis met het economische leven. De sociaal democratische verzorgingsstaat was een betrouwbaar bastion tegen de verwoestende maatschappelijke ontwikkelingen die er aan vooraf gingen.
Ergens in de jaren 70 kwam een generatie aan het woord voor wie de verschrikkingen te ver weg lagen om nog een motivatie te vormen en er werd een begin gemaakt met de ontmanteling van de verzorgingsstaat. Werkloosheid werd opnieuw een stigma. Economisch succes werd aanbeden. Per definitie onrendabele diensten (spoorwegen, zorg, postverkeer enz.) werden verkocht met voorspelbaar resultaat. Thatcher’s devies was: ’Er IS helemaal geen maatschappij. Er zijn alleen maar individuele mannen en vrouwen en hun gezinnen.’ Maar individuen, werpt Judt tegen, willen zich verbonden voelen in een maatschappij en het is de staat die deze verbinding tot stand brengt. Als we dit opgeven dan zijn we overgeleverd ’aan privé personen en corporaties die elk voor zich de staat willen overnemen om hun doel te bereiken.’ Judt vindt dat we niet woedend genoeg zijn over de ontmanteling van de sociaal democratische verzorgingsstaat. Hij is bang dat dit fout kan lopen. Het is al eens eerder fout gegaan.
Hij sprak deze profetische waarschuwing (waarvan ik hier slechts enkele flarden weergeef) uit op 19 oktober in New York.
Zijn volgende bijdrage aan de New York Review of Books dateert van 14 januari en is getiteld Night. Die begint als volgt: „Ik lijd aan een motorische neuron ziekte, in mijn geval een variant van amyotrofische lateraal sclerose (ALS).” Voor alle duidelijkheid: we hebben het hier over een op vrij korte termijn dodelijke ziekte. Voor de niet-ingewijden biedt hij een korte uitleg. Het gaat om een onhoudbaar voortschrijdende verlamming van benen, romp, armen, handen, uiteindelijk ademspieren. De ziekte geeft geen pijn zodat je in Judt’s woorden ’de gelegenheid gegund wordt om je eigen verval in alle rust gade te slaan.’
Ik schrok hiervan omdat ik in zijn historische analyse niets proefde van een doodsklok. Ik las zijn essay als een briljant appèl, een wijs vermaan. Toen ik eenmaal van de ALS-diagnose wist ben ik gaan zoeken op internet. Wikipedia vermeldt dat hij ten tijde van de lezing, in oktober, al vanaf zijn nek verlamd was. In het artikel Night beschrijft hij zijn nachten. Nadat hij met een lift het bed in is getakeld is zijn grootste probleem dat hij niet meer in staat is om ook maar één vinger ietsje anders neer te leggen, hoe ongemakkelijk hij ook ligt. Hij wil niet steeds om hulp vragen en brengt zijn nachten door met het opnieuw bekijken van zijn leven. Herinneringen, gedachten, fantasieën, vergissingen, alles mag als het maar niet te saai is, want dan krijgt zijn fysieke ongemak weer een stem. Maar het mag ook niet te opwindend zijn, want dan komt de slaap niet.
De blik op zijn ziekte heeft diezelfde dwingende helderheid als zijn blik op Europa na 1945. Mensen verliezen in hun laatste maanden meestal de wereld uit het oog. Tony Judt biedt een opvallend ander tafereel in dit aangrijpende tweeluik.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.