Koninklijk Concertgebouworkest en Janine Jansen (viool) olv Mariss Jansons op 28/1 met muziek van Sibelius en Rachmaninov. Herhaling zondagmiddag om 14.15 uur, tevens rechtstreekse uitzending via Radio 4. Dit programma wordt de komende maand tijdens een uitgebreide tournee ook gespeeld in Valencia, Madrid, Washington en New York.
Wat een interessante combinatie composities had het Koninklijk Concertgebouworkest donderdagavond op de lessenaars staan. Het Vioolconcert van Jean Sibelius en de Tweede symfonie van Rachmaninov. Het concert van de Fin ontstond in 1902-1905, de symfonie van de Rus in 1906-1907. Muziek uit de twintigste eeuw dus, maar beide ver verwijderd van de moderniteiten die toen wijd en zijd opgeld deden. Hoewel zeer verschillend zijn ze beide über-romantisch te noemen.
Het Vioolconcert van Sibelius markeerde de allereerste samenwerking tussen chef-dirigent Mariss Jansons en de Nederlandse wereldster Janine Jansen. Kaarten waren al weken uitverkocht en op de komende etappeplaatsen Valencia, Madrid, Washington en New York zal het met de kaartverkoop voor deze combinatie niet anders zijn. Jansen en Jansons zijn hot, zoveel is zeker.
Er werd met zekere spanning uitgekeken naar deze muzikale samenwerking. Hoe zouden de twee topmusici zich tot elkaar verhouden? Het antwoord op deze vraag was nogal verrassend te noemen. Zo verrassend dat de Concertgebouwgangers donderdagavond wat in verwarring achterbleven, niet het achterste van hun tong lieten zien bij de toejuichingen na afloop, en er (dus) ook geen toegift van Janine Jansen kwam.
Ondanks de populariteit van Sibelius’ concert blijft het na al die jaren nog steeds een grillig, bizar stuk muziek. Door vol in te zetten op die eigengereidheid van Sibelius’ noten voerden Jansen en Jansons ons eendrachtig terug naar honderd jaar geleden toen deze muziek wel degelijk als heel modern werd ervaren.
Prachtig hoe beiden het allegro moderato van het eerste deel niet alleen van toepassing lieten zijn op het tempo, maar ook op de dynamiek. Gemodereerde uitbarstingen dus, en niet de orkestrale kwakken die mindere dirigenten hier meestal bezigen. Je had voortdurend het gevoel dat de vlam in de pan moest slaan, maar de vraag bleef: wanneer? Alsof je in IJsland bij een geiser stond, niet wetend wanneer die zijn heet water de lucht in zou spuiten.
Dat gebeurde pas na ruim een half uur in het exuberantere derde deel, maar zelfs daar hielden dirigent en violiste zich in. En dat was mooi. Dus geen hol vertoon of plat effectbejag in deze uitvoering. Jansen speelde met verstilde virtuositeit, etaleerde of epateerde nergens. Het maakte de uitvoering wel cerebraal en daar moet je van houden, maar Sibelius zelf kwam hoegenaamd niets te kort. Mooi om mee te maken hoe goed Jansen en Jansons zich verstonden en hoe ze samen diep groeven naar de schoonheid van dit concert.
In de Tweede symfonie van Rachmaninov gingen daarna alle remmen los, en ook dat was mooi. Het is muziek die Jansons op het lijf geschreven is, en met zo’n super wendbaar en in topvorm stekend orkest kon hij alle kanten op die hij wenste. Supermooi het derde deel, waar je altijd het gevoel hebt dat Rachmaninov alles in de eerste maten al weggeeft. Bij Bruckner zouden die eerste maten de apotheose zijn ver in een symfonisch adagio, maar hier opent zich direct een zwaar geparfumeerde roos en heb je na vijftien minuten een heel rosarium. En wat heeft het KCO in Andreas Sundén een prachtige nieuwe klarinettist gevonden. Op naar Spanje en Amerika!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.