*

 

Het verlangen naar wildernis

Henny de Lange − 30/01/10, 00:00

De ontwerpers van het naoorlogse landschap worden nu verguisd, zegt architectuurhistoricus Marinke Steenhuis. Ten onrechte.

  • Het Lingebos, recreatiegebied voor Rotterdam en Utrecht in 1990. (FOTO MICHEL HOFMEESTER, AEROCAMERA)

Zo’n twintig bejaarde tot hoogbejaarde tuin- en landschapsarchitecten hebben ze nog kunnen spreken. Architecten van de generatie ontwerpers die na de Tweede Wereldoorlog het Nederlandse landschap zoals we dat nu kennen, hebben gemaakt. Eigenlijk hadden ze tien jaar eerder moeten beginnen met dit project, vertelt architectuurhistoricus Marinke Steenhuis. Want toen zij er in 2002 met Fransje Hooimeijer aan begon, waren Mien Ruys, Jan Bijhouwer, Hein Otto, Nico de Jonge, Harry de Vroome, Wim Boer en Hans Warnau al overleden. Namen die bij het grote publiek, met uitzondering misschien van tuin- en landschapsarchitecte Mien Ruys, niet bekend zijn. Maar ze mochten niet onvermeld blijven, meent Steenhuis, in het boek ’Maakbaar Landschap’, waarin beschreven wordt hoe Nederland in de jaren 1945-1970 met een haast euforische energie op de schop werd genomen om het landschap gereed te maken voor de welvaartsstaat.

Het was ook geen geringe opgave waarvoor de landschapsarchitecten zich gesteld zagen. Na de oorlog en het trauma van de hongerwinter, waarin Nederland niet in zijn eigen voedsel had kunnen voorzien, moesten om te beginnen de verwoeste industrie en infrastructuur worden hersteld en verbeterd. Met de bouw van grootschalige woonwijken werd de woningnood opgelost. Bijna de helft van het nationale grondgebied werd met ruilverkavelingen geschikt gemaakt voor moderne landbouwproductie. Er werden snelwegen en grote recreatiegebieden aangelegd en na de watersnoodramp van 1953 kwamen daar ook nog de Deltawerken bij.

In het voorwoord beschrijven Steenhuis en Hooimeijer de stemming die destijds in het land heerste als volgt: „Elke burger, ongeacht sociale klasse of culturele achtergrond, moest toegang hebben tot een landschap dat een ontplooiing in vrijheid mogelijk maakte.” Met heroïsche foto’s wordt geïllustreerd hoe sterk het idee leefde van een maakbare samenleving met frisse woonwijken, gladgestreken landbouwgronden, veilige waterwerken, moderne snelwegen en multifunctionele recreatiegebieden.

Maar van die heroïek is weinig overgebleven. Het beeld dat tegenwoordig bestaat van de landschappen uit de naoorlogse periode, is niet bepaald positief. De naoorlogse woonwijken, ruilverkavelingen, wegen, kanalen en recreatiegebieden worden nu massaal en eentonig genoemd. De ontwerpers die daar met hun hele ziel en zaligheid aan hebben gewerkt, worden nu verguisd. Steenhuis: „In 2002 kregen we de vraag van Ruud Brouwers, toenmalig directeur van het Stimuleringsfonds voor Architectuur, om ter gelegenheid van zijn afscheid filmportretten te maken van naoorlogse tuin- en landschapsarchitecten. Welke opgaven waren er toen actueel en hoe gaven de ontwerpers daar vorm aan? Van gebouwen weten we wel altijd wie ze heeft ontworpen. Maar wie de mensen waren achter de grote omvorming van ons landschap, die namen dreigden in de vergetelheid te raken. De films leverden zoveel materiaal op dat we besloten er een boek van te maken en vijf architectuurhistorici en een landschapsarchitect als auteurs te vragen.”

Dagenlang brachten de onderzoekers door in de archieven, urenlang praatten ze met de ontwerpers van toen. Het lijvige boek ’Maakbaar Landschap’ dat onlangs is verschenen, is niet alleen een gids door het naoorlogse landschap. Het mag ook een monument worden genoemd voor de ontwerpers ervan, meent Steenhuis. Ze vindt het niet terecht dat nu vooral negatief wordt gesproken over de radicale en rechttoe rechtaan wijze waarop zij het land vorm zouden hebben gegeven. „Landschapsarchitecten deden hun uiterste best om de eigenheid van het landschap in een nieuw ontwerp te gieten, dat paste bij de opgave van dat moment. In de grootschalige ruilverkavelingen was vanwege de efficiĆ«ntieslag in de landbouw weinig ruimte voor ontwerp en veranderden meanderende beken in afvoerkanalen met betonnen beschoeiing. Maar er zijn prachtige stadsparken en snelwegontwerpen gemaakt.”

Een mooi voorbeeld is de aanleg van het Lingebos, het eerste grootschalige recreatiegebied dat specifiek werd aangelegd voor mensen uit Rotterdam en Utrecht. Het aangeplante bos met zwemvijver, gelegen te midden van 13.000 hectare moderne landbouwgrond, moest op een topdag ruimte bieden aan 12.000 mensen. Steenhuis: „Men heeft geprobeerd het recreatiegebied toch zo streekeigen mogelijk te maken. Zo kreeg de zwemplas de vorm van een eendenkooi. Ruggengraat van het plan was een oude verzande rivier dwars door het terrein. Daarvan is een weg gemaakt, waarlangs alle voorzieningen zijn aangelegd. Zo zijn karakteristieke elementen van dit gebied toch behouden.”

Het boek is geen pleidooi voor het ’bevriezen’ van het naoorlogse landschap, maar Steenhuis vindt wel dat de huidige generatie ook zou moeten kijken naar wat vijftig jaar geleden met zorg is ontworpen. „Nu grote delen van het landschap opnieuw op de tekentafels liggen voor onder meer het scheppen van nieuwe natuurgebieden en waterberging, is de stemming toch vaak: we gaan de boel even lekker schoonvegen en opnieuw inrichten, omdat het allemaal niks is wat onze voorgangers hebben gedaan. Maar die hebben naast minder geslaagde of achterhaalde projecten ook goede dingen zoals de vormgeving van de Deltawerken, op hun naam staan, zoals voor elke ontwerper geldt.”

Het is ook volksverlakkerij, meent ze, om te suggereren dat bij de aanleg van nieuwe natuurgebieden oude landschappen in ere worden hersteld. „Het gros van het Nederlandse landschap is na de oorlog gemaakt. En met het scheppen van stukjes zogenaamde ongerepte natuur worden nu weer net zulke forse ingrepen gedaan in het landschap als vijftig jaar geleden. Kennelijk heerst er een groot romantisch verlangen naar wildernis, een landschap dat nooit heeft bestaan. Die wildernis wordt met bulldozers over het cultuurlandschap uitgerold.”

Van oudsher was de provincie de bestuurslaag die de regie over het landschap had. Het is onduidelijk, constateert Steenhuis, waar die rol nu gestalte krijgt. „Daarmee is de versplintering van verantwoordelijkheden een feit, en dat is in het landschap afleesbaar.”

mailIcon print |