De Groene Amsterdammer komt deze week met een dubbeldik nummer over de integratie in Nederland. Voorwaar een stevige kluif, zowel wat omvang (elf artikelen) als wat temperatuur van het onderwerp betreft; integratie is sinds pakweg tien jaar een hot item in het publieke discours in Nederland, dat regelmatig voor verhitte koppen zorgt.
’Het gaat best goed met de integratie’, roept een kop op de voorpagina ons geruststellend toe. Hoe dat zo? Zijn er dingen gaande die de gemiddelde ’reagurende’ burger niet in de gaten heeft, of is die kop een holle frase van multiculti-positivo’s?
Eigenlijk allebei een beetje, moet je constateren na lezing van de artikelenserie.
Er zijn inderdaad dingen gaande - en dat al langere tijd - die de gemiddelde burger niet zo in de gaten heeft. Zoals de politieke participatie van allochtonen. Laure Michon van het Instituut vor Migratie en Etnische Studies (IMES) becijferde de gestage toename van het aantal allochtone raadsleden in Nederland; In 1994 was het aantal raadsleden met een allochtone achtergrond 73. In de drie daarop volgende verkiezingen liep dat aantal op tot 302, drie procent van het totale aantal raadsleden in Nederland. Michon noemt het in De Groene een ’stille revolutie’.
Het grimmige debat over immigratie en integratie mag dan de laatste jaren steeds harder zijn geworden, over het meedoen in de politiek was nauwelijks discussie. En dat is opmerkelijk.
’De integratie gaat veel beter dan we denken’, schrijft Frans Verhagen, met zijn volgende week te verschijnen boek ’Hoezo mislukt?’ de inspirator van dit dubbeldikke nummer van De Groene. In zijn artikel ’Soep met ballen’ kijkt Verhagen bijvoorbeeld naar het aspect ’taal’. Dat is volgens hem een uitstervend probleem. „De tweede generatie spreekt Nederlands. Niet optimaal, (...) maar dat geldt ook voor veel Nederlanders die nooit anders dan hun moedertaal hebben gesproken.”
Hier heeft Verhagen een punt. Als je op internet een bad neemt in de taalkundige bagger van de talloze (autochtone) reageerders op bijvoorbeeld kranten- of opiniewebsites, dan heb je de neiging om daarna minstens een uur lang onder een hete douche te gaan staan. Met een heel harde schrobber.
Verhagen kijkt verder: naar de eerste grote doorbraak van de ’voorhoede’ van Marokkaanse meiden in het onderwijs. Die doen het uitstekend.
Verhagen somt verder op: allochtonen in Nederland wonen beter dan hun lotgenoten in andere immigratiesamenlevingen, in de politiek zijn allochtonen meer en meer vertegenwoordigd, en verder is het nu al zo ’dat de ideeën van allochtonen over man-vrouw-relaties zich razendsnel ontwikkelen en dat ze steeds minder afwijken van die van autochtonen.’
„Alles bij elkaar”, zo schrijft Verhagen, „mogen we vaststellen dat allochtonen in Nederland behoorlijk succesvol zijn”, vooral de tweede generatie, dan.
Vooruitgang, zou je denken.
Nederland heeft het al eens meegemaakt met die immigratie, schrijft Frans Verhagen: „Na de oorlog kwamen uiteenlopende immigranten naar Nederland. (...) Ze zijn allemaal geïntegreerd”.
Ze liepen inderdaad uiteen: Chinezen, Italianen, Spanjaarden, Molukkers, Surinamers. Splinters in de Nederlandse samenleving. Er zaten veel christenen tussen, katholieken en protestanten, wat hindoes, een paar moslims, wat boeddhisten. Dat staat niet in verhouding tot de massieve immigratie in de afgelopen kwart eeuw van moslims uit Noord-Afrika, het Midden Oosten en Turkije.
En daar wringt nou precies de schoen; het artikel ’Van God los’ van Aart Brouwer, een paar pagina’s verderop, illustreert dat, misschien wel ongewild. Brouwer: „Het enige echte strijdpunt in het Nederlandse integratiedebat is de islam. (...) Tegen een achtergrond van ontkerkelijking en geloofsafval bij alle andere gezindten vinden we het verontrustend dat Nederlandse moslims elkaar dwingen toch vooral aan hun god vast te houden en dat ze zich steeds ook meer op grond van hun geloof organiseren.”
Brouwer haalt de Marokkaanse schrijver Fouad Laroui aan: „De angst van Europeanen voor de binnen hun grenzen wonende moslims zou in één klap verdwijnen als die moslims het tijdperk van het post-islamisme zouden binnentreden. En niets hoeft ze daarvan te weerhouden.”
Helaas, er is nog veel wat hen weerhoudt van een vrije keuze, schrijft Brouwer verder. „Onder hoogopgeleiden van islamitische komaf en ook onder jonge Turken en Marokkanen van beide geslachten blijft ongodsdienstigheid een vrijwel onbekend fenomeen, hoewel je op grond van trends bij alle andere gezindten anders zou verwachten. Slechts een enkeling zet de ramen open en ervaart de vrijheid en innerlijke rust van een leven zonder almachtige kwaliteitsbewaker in den hoge. In de meeste gevallen wordt het verlangen naar zo’n leven verstikt in groepsdwang.”
Het is maar, wat je vooruitgang noemt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.