Het rapport-Davids over Irak is politiek niet relevant. De enige les is dat de Tweede Kamer heeft gefaald en voortaan wel wat kritischer mag zijn.
Wie de negenenveertig conclusies van de commissie-Davids over Irak leest, zal daarin weinig lijn ontdekken. Het gaat om allerlei losse opmerkingen van diverse aard. Feitelijke en normatieve beweringen staan ongeordend door elkaar. Het is volstrekt onduidelijk welke hoofdvraag de commissie wilde beantwoorden. Of, het is wel duidelijk: de commissie had helemaal geen centrale vraagstelling die analytisch in deelvragen opgesplitst kon worden.
De commissie heeft ook geen poging gedaan om zelf wel een scherpe vraagstelling te ontwikkelen. Het ging haar om ’waarheidsvinding’ voegt ze toe aan de taakomschrijving uit het instellingsbesluit. Maar welke waarheid? De Nederlandse regering heeft in maart 2003 ’politieke steun’ uitgesproken voor de Amerikaans-Britse inval in Irak. Veel om het lijf had dat niet, want het ging nadrukkelijk niet om militaire steun. Daar valt niets aan uit te zoeken.
Omdat een dringende waarom-vraag afwezig is, kwam de commissie-Davids primair uit bij hoe-vragen. Het rapport is vooral een uiting van traditionele verhalende geschiedschrijving. We krijgen interessante kijkjes achter de schermen: wat er zich afspeelde in de ministerraad en tussen ministers onderling, hoe het er op de ministeries van buitenlandse zaken en defensie aan toeging en wat de inlichtingendiensten MIVD en AIVD op te merken hadden.
Zulke inkijkjes zijn aardig, maar hebben we er iets aan? Nee, totaal niet, voor een politieke beoordeling zijn ze irrelevant, want dan gaat het alleen om het kenbare standpunt van het kabinet. Het is totaal niet van belang hoe de rolverdeling tussen de minister van buitenlandse zaken en de voorzitter van de ministerraad was. En uiteraard is het geruststellend om te weten dat de diensten juridische zaken op twee ministeries ernstige bezwaren hadden of dat de inlichtingendiensten in het beoordelen van de feitelijke situatie kritische zin betoonden, maar die kennis verandert niets aan de eenvoudige politieke vraag die destijds voorlag.
De uitvoerige antwoorden op vragen die er niet toe doen, dreigen ondertussen wel het zicht op de werkelijkheid te benemen. Het ging destijds om twee vragen: een normatieve en een feitelijke. Mag het het? En is er werkelijk gevaar?
In conclusie 20 stelt de commissie dat een ’adequaat volkenrechtelijk mandaat’ voor de militaire actie van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk ontbrak. Dat is een normatief oordeel, dat klopt als een bus, maar waar op zich geen feitenonderzoek voor nodig was. Een rondgang in de juridische literatuur is daarvoor voldoende, zoals het rapport ook overtuigend laat zien. Het punt is dat regering en parlement in 2003 kennelijk geen zin hadden om naar dwingende juridische argumenten te luisteren. Een onderzoek achteraf verhelpt daar niets aan.
Dan de feitelijke vraag. Als er destijds harde bewijzen waren geweest dat Irak over massavernietigingwapens beschikte, had men wellicht kunnen gewagen van een situatie waarin nood wet (en dus ook volkenrecht) breekt. Maar kritische waarnemers stelden op 5 februari 2003 direct vragen bij de presentatie van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Colin Powell in de Veiligheidsraad. ’Ik ben niet overtuigd’, merkte de Duitse minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer destijds op.
Het is niet onnuttig dat het rapport van de commissie-Davids enkele kleinere vragen beantwoordt, maar toch stuurt zo’n onderzoek ons de verkeerde kant op. Het is de illusie dat als we nu maar veel meer weten, dat we dan ook betere beslissingen kunnen nemen. Maar dat is niet zo. Alle nodige kennis was destijds beschikbaar. In conclusie 31 stelt de commissie het echte probleem aan de orde: in de Tweede Kamer is ’geen noemenswaardig debat’ gevoerd over de vraag of er echt massavernietigingswapens in Irak waren.
In 2003 heeft de Tweede Kamer gefaald. De enige les is dat de Kamer voortaan kritischer moet zijn. Maar aandringen dat ministers dan nog meer inlichtingen leveren, is de verkeerde weg. De Kamer moet zich niet nog meer afhankelijk maken van informatievoorziening door de regering. Het is een illusie dat ’de waarheid’ verborgen zou zijn. Bijna alle relevante informatie in de wereld is openbaar beschikbaar.
Het gevaar is groot dat de discussie over het rapport van de commissie-Davids alleen maar tot verdere blikvernauwing leidt. Een verstandige Tweede Kamer doet het anders: die blijft niet steeds eindeloos roeren in het verleden, maar stelt voortaan onafhankelijk de echte scherpe vragen waar het op aankomt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.