*

 

In 1883 gaven de Nederlanders gul

Paul van der Steen − 22/01/10, 00:00

Inzamelingsacties waren er al voor de televisie en het verschijnsel BN’er. In de 19de eeuw gaven Nederlanders gul voor nabestaanden van verdronken vissers uit Moddergaat.

  • Een monument op de zeedijk in Moddergat herinnert aan de ramp. (Trouw)

Op 5 maart 1883 voer de volledige vissersvloot van de Friese tweelingdorpen Paesens en Moddergat uit. De 22 aken en blazers waren geen geweldige schepen, maar voor het vroege voorjaarsweer van die dag waren ze zeewaardig genoeg.

Eenmaal op de Noordzee aangekomen ging de bemanning op schol vissen. In de loop van de dag wakkerde de wind wat aan, maar dat leidde niet tot ongerustheid.

Geen mens kon de noordwesterstorm van die avond voorzien. Na tienen werden de vissers overvallen door gitzwarte wolken en niet veel later door wind, sneeuw, hagel en immense golven. De zee veranderde in een gulzig monster. De schepen probeerden tussen de Waddeneilanden door via de Waddenzee huiswaarts te keren. Maar een behouden thuiskomst was slechts weinigen gegeven.

Zeventien van de 22 boten gingen ten onder. Van de bemanning liet iedereen het leven, met uitzondering van de 31-jarige Gerben Basteleur. Hij bevond zich op het moment van het omslaan van de boot in het vooronder bij een ziek geworden oom. Na het kapseizen hielden de twee zuurstof door een luchtbel. De oom was te zwak om zich lang aan een spant vast te houden en zakte uiteindelijk in het water. Basteleur redde het wel. Hij werd uiteindelijk bij het strand van één van de Waddeneilanden uit het vooronder gehaald. Niet veel later pakte hij zijn vak weer op. Een andere keus had hij niet. Behalve vis haalde hij toevalligerwijs ook het lichaam van zijn verdronken broer uit het water.

Er waren meer vissersplaatsen die in die woeste maartnacht mannen verloren. Urk betreurde 26 van haar inwoners. Maar geen dorp werd zo ernstig getroffen als Paesens-Moddergat. De verloren gegane schepen vertegenwoordigden een waarde van 89.500 gulden. De verdronken vissers verdienden samen naar schatting zo’n 31.500 gulden per jaar. 66 vrouwen kregen het doodsbericht van hun man. 115 kinderen verloren hun vader. In veel gezinnen vielen alle mannen weg. 209 mensen bleven verstoken van inkomsten achter. Geen wonder dat de armenvoogden het alarmerende bericht uitzonden dat ’alle nagelaten betrekkingen van de verongelukten moeten worden geholpen, sommigen dadelijk, de anderen na enigen tijd’.

Onder leiding van de Friese commissaris van de koningin, baron Van Harinxma thoe Sloten, werd een provinciale commissie opgericht die de noden in Paesens-Moddergat bekendheid moest geven in het hele land en een beroep moest doen op de vrijgevigheid. In het getroffen tweelingdorp werd een plaatselijke commissie opgericht, gek genoeg vergeven van de boeren maar zonder ook maar één visser in de gelederen.

De landelijke inzameling had resultaat. Gemeenten en particulieren gaven. Muziekverenigingen en koren doneerden de opbrengsten van concerten. Aan de andere kant van het land, in Zeeland, werd een fancy fair georganiseerd voor het goede doel. Koning Willem III en koningin Emma schonken een bedrag, net als diverse andere Oranjes.

Het kabinet liet het afweten. Net als de niet onbemiddelde hervormde kerk in de rampplaats. Dat veel bewoners enige tijd later overstapten naar de gereformeerde kerk zou hier wel eens alles mee te maken kunnen hebben.

In totaal werd 135.000 gulden bijeengebracht. Een aanzienlijke opbrengst, maar onvoldoende voor het ledigen van alle nood. Voor veel weduwen en wezen resteerde een karig bestaan. Weektarieven varieerden van een gulden voor een wees tot een rijksdaalder voor een zelfstandig wonende weduwe die niet meer kon werken. Later werd nog op deze bedragen beknibbeld.

De plaatselijke commissie voor de verdeling van het geld bleef bestaan tot 1918. Bij opheffing, 35 jaar na de ramp, werden van het nog in kas zijnde bedrag lijfrenten gekocht voor de nog in leven zijnde weduwen.

mailIcon print |