*

 

Vogels en vissen

Rob Schouten − 22/01/10, 00:00

Aantonen kan ik het niet, maar ik denk dat de vogel het meest bezongen dier in de poëzie is. Onze letterkunde begint ermee: hebban olla vogala nestas bigunnan, en ook verder blijft-ie almaar in beeld. Een leeuwerik bij Boutens, reigers bij Van Geel en Korteweg en nog heel veel anderen, een mus bij Jan Hanlo, de albatros bij Baudelaire en Slauerhoff.

Het kan niet anders of het feit dat een vogel vliegt moet dichters, met hun drang naar vrijheid, altijd hebben geïnspireerd. Een heleboel dichters en schrijvers weten dan ook écht wat van vogels, het zijn in hun vrije tijd vogelaars; ik ken er heel wat van. Over mij was de vogelgeest echter nooit heel erg vaardig geworden. Ik vond vogels denk ik te alledaags of te klein en vrienden van mij die in extase raakten vanwege een puttertje of iets dergelijks verdacht ik van zachte waanzin. Hans Dorrestijn schrijft in zijn Vogelgids zelfs dat ik alleen maar van vogels groter dan twee meter zou houden. En Tom van Deel vroeg me eens een gedicht over een vogel te schrijven voor een door hem samen te stellen bloemlezing; na heel veel moeite en de aanschaf van een vogelgidsje perste ik er een bruine kiekendief uit maar het was geen echte vogel, vond hij, alleen een heel erg metaforisch geval, ik denk dat hij gelijk had. Hetzelfde geldt trouwens een beetje voor vissen, waarvan ik ook nooit wakker lag. Nooit heb ik behoefte gehad aan een aquarium of aan een boek over vissen. Ik ben echt iemand van de grote landdieren: leeuw, buffel, luipaard, dat alles vervulde me altijd met ontzag, maar het kleinere of alledaagsere grut bekeek ik nauwelijks. Ik vind dat alles bijzonder oppervlakkig en ongeïnteresseerd van mijzelf, maar laat ik me maar niet beter voordoen dan ik ben, dat pakt nooit goed uit. Hier op de Cariben begint mijn bekering. Misschien komt het doordat er niet zoveel grote landdieren zijn en wel heel mooie vogels en vissen. Hoe dan ook, ik heb net een uur naar een struik liggen turen waarin achtereenvolgens suikerdiefjes (coereba flaveola) en rode kolibri’s (chrysolampis mosquitus) hun opwachting maakten. Vooral die laatste intrigeerden me. Dat mateloze gefladder terwijl je wat mij betreft net zo makkelijk op een tak kunt gaan zitten om de nectar op te zuigen waarvan je dan ook nog minder nodig hebt als brandstof: ik snap eigenlijk weinig van de natuur die er heel andere ideeën over efficiëntie op na schijnt te houden dan ik. En in het water rond het Renaissancehotel in Oranjestad, Aruba, spotte ik nota bene een papegaaivis, waarvoor je normaal gesproken naar het koraal moet, en mijn hart sprong op. Vogelaar, ichtyofiel, het is allemaal nieuw voor me. Ik neem me voor om, terug in Nederland, wat beter op de mussen en meeuwen te letten, en ook de grondeling niet langer te negeren als hij op mijn weg komt. Wie weet maak ik op den duur zelfs de stap naar planten en insecten. Mijn oma zei ooit toen ik haar mededeelde niet om planten en bloemen te geven: dan ben je geen goed mens. Het is tijd een goed mens te worden, ik ga van de natuur houden.

mailIcon print |