*

 

Balkenende en Donner hebben een contrapunt gezet

HANS GOSLINGA − 15/11/03, 00:00

In de jaren zestig kon het gebeuren dat de antirevolutionaire fractieleider Barend Biesheuvel de commentator van het dagblad Trouw, de tengere Pierre van Enk, van de grond tilde en in zijn grove knuisten duchtig door elkaar rammelde. De rijzige Barend maakte op die manier zijn ongenoegen over het hoofdartikel van die dag kenbaar. Dat was in die tijd niet ongewoon.

De toenmalige VVD-fractieleider Koos Rietkerk trok enige jaren later Willem Breedveld hard aan zijn sik vanwege een hem onwelgevallig commentaar. 'Ho, ho makker, we hebben persvrijheid', stamelde deze, in de hoop een gevoelige snaar bij zijn liberale belager te raken.

Nadien bleven de handtastelijkheden achterwege, maar werd het misnoegen nog wel krachtig geuit. De antirevolutionair Jan de Koning viel in de jaren tachtig vanwege een kritisch artikel bars uit naar een Trouw-redacteur met de retorische vraag waar het ontzag voor het gezag was gebleven. Pas daarna is aan de kant van de politiek stilaan een zekere berusting ingetreden in de veranderde verhoudingen.

De kritiek van premier Balkenende en minister van justitie Donner op de satires over het koningshuis kan worden begrepen als een poging het verloren terrein te heroveren en krijgt daarmee een andere dimensie dan die van een oprisping van gereformeerde zedenmeesterij.

De christen-democraten streven eenvoudigweg naar herstel van het gezag van de overheid. Sinds de stormloop op het regentendom in de jaren zestig is dat sterk afgenomen. In zo'n poging zit vanzelfsprekend een restauratief element. Maar dat is nog wat anders dan een streven naar herstel van oude verhoudingen, laat staan restauratie van Nederland als christelijke natie.

Alle bovengenoemde politici hebben gemeen dat zij van gereformeerde afkomst zijn en dat is in dit verband geen toeval. Met hun pessimistische mensbeeld hechten gereformeerden veel waarde aan gezag, dat de tot alle kwaad geneigde mens beteugelt. De verruwing in het publieke domein, het gebrek aan fatsoen in de omgang en de hufterigheid schrijven zij dan ook toe aan het gezagsverlies van de instituties. Jan Donner, de grootvader van de huidige minister, toonde zich begin jaren zeventig zelfs verontrust over een geest die in het gezag van de overheid niets anders ziet dan geweldsuitoefening die met gelijke munt moet worden beantwoord.

Het kost niet veel moeite de opvattingen van Piet Hein Donner in deze lijn te plaatsen, al is de toestand niet zo bar geworden als zijn grootvader vreesde. Dan nog is het mogelijk de bezorgdheid van de kleinzoon overdreven te vinden. Maar het is al te gemakkelijk om schamperend aan het kernpunt voorbij te gaan.

De 'opstand van de burgers' in 2002 heeft duidelijk gemaakt hoe kritiek de toestand van onze democratie kan worden als de overheid in daad en woord geen gezag meer kan laten gelden. Het overdenken van de positie van de overheid en haar instituties is derhalve dringend geboden. De christen-democraten hebben hierover in de afgelopen jaren grondig nagedacht, wat heeft geresulteerd in een uitgesproken visie. Het is spijtig dat liberalen en sociaal-democraten hieraan, bij gebrek aan ideeën, weinig weerwerk kunnen bieden.

Sinds het, anders dan PvdA-leider Den Uyl veronderstelde, niet mogelijk bleek de overheid te gebruiken om kennis, macht, inkomen en bezit te spreiden, heeft het denken van de PvdA over de overheidsrol nagenoeg stilgestaan. De partij is in de paarse jaren zelfs onkritisch meegehobbeld in de opvatting van de liberalen dat beheren en accommoderen volstaat om de maatschappelijke krachten zoveel mogelijk vrij spel te geven.

De christen-democraten trokken al voordat de burgers in opstand kwamen de conclusie dat de overheid haar pretenties om zaken als zorg en onderwijs te sturen drastisch moet afzwakken, omdat zij de verwachtingen niet kan waarmaken en de creativiteit van burgers alleen maar in de weg staat. Tegelijk behoort zij zich in de CDA-visie veel krachtiger te manifesteren als hoeder en hoogste orgaan van onze rechtsgemeenschap. Niet doelmatigheid, maar recht is het grondmotief, noteerde Balkenende in 2002.

In dit verband is het curieus te kijken naar het motief van de liberaal Thorbecke halverwege de 19de eeuw om een (ingetoomde) monarchie te verkiezen boven een repubiek. In ons monarchale bestel zag de liberale staatsman 'het gelukkigste samenstel om de harmonie van algemene en bijzondere belangen te vinden'. Daarentegen dacht hij ongunstig over de republiek, omdat 'zij de menigte vleit die in den staat niet meer ziet dan rechten en belangen van individuen'.

Met zijn visie op de morele dimensie van de overheid staat het CDA dus dichter bij Thorbecke dan de huidige VVD en is hun zorg over het belachelijk maken van het koningshuis ten minste te begrijpen. Niet voor niets haalde de eerste katholieke premier van dit land, Ruys de Beerenbrouck, begin jaren twintig de liberale aartsvader aan in een heftig kamerdebat over de vraag: monarchie of republiek? De socialistenleider Troelstra gaf in dit debat sterk blijk van de materiële oriëntatie van de socialisten, toen hij zei dat erfelijkheid voor het bekleden van publieke ambten, anders dan voor paard- en rundveestamboeken, geen geschikt leidend beginsel kan zijn. Hier tegenover zette de antirevolutionair Rutgers het Oranjehuis als symbool van onze godsdienstige en staatkundige vrijheid. Hij laakte de socialisten 'die alleen de aarde in de bloempot in hun vensterbank als nationale bodem zien'.

Het is deze week de liberalen en sociaal-democraten gelukt om de missie van Balkenende en Donner als bijna particulier hobbyisme weg te zetten, mede dankzij de onbekooktheid en politieke geloofsijver van de laatsten. Maar de liberalen en sociaal-democraten moeten zich over hun succes niet al te zeer verheugen. De beide christen-democraten hebben veertig jaar na de stormloop op het gezag een krachtig contrapunt gezet. Misschien een tikkeltje onbesuisd en politiek wat onhandig in hun gereformeerde ijver. Nu kan de echte strijd beginnen.

mailIcon print |