De kunstredactie van Trouw heeft het hoofd vol van Nijhoff. Tijdens de jurering van de prijsvraag 'Dichten in de geest van Martinus Nijhoff' hoorden wij klanken dat onze oren klonken, en stuitten we op uitdrukkingen, woorden, thema's, en grammaticale wendingen die typisch waren voor Martinus Nijhoff.
Na het grote succes van de prijsvraag 'Dichten in de geest van Ida Gerhardt' vroegen wij ons af of ook Nijhoff de lezers van Trouw tot dichten zou weten aan te sporen. Nijhoff, toch al een halve eeuw dood, bleek een onuitputtelijke inspiratiebron: 250 dichters stuurden ons werk op. Omdat een enkeling ons nieuwe versies van nieuwe versies deed toekomen, een ander toch de verleiding niet kon weerstaan een hele bundel ter beoordeling aan te bieden, lazen wij ruim 350 gedichten. Een heidens karwei, waarbij we onherroepelijk meesterwerken over het hoofd hebben gezien.
Tijdens het lezen viel ons een verschil op tussen de gerhardtiaanse gedichten van vorig jaar en de nijhoffse verzen van nu. Veel sterker dan haar toon, haar woordkeus, bleek destijds vooral de thematiek van Gerhardt tot de verbeelding te spreken. In de meeste gedichten was toen wel iets terug te vinden van het harde leven dat van kindsbeen af dagelijks verbeten moet worden. Nu valt op dat Nijhoffs werk niet beheerst wordt door een goed te imiteren thematiek, maar dat hij een stuk of tien evergreens heeft geschreven, die zo tot het collectieve bewustzijn doorgedrongen zijn dat er schijnbaar moeiteloos op te variëren is.
Neem de Rotterdamse Zwaan. Zeker zeven schrijver gingen ernaartoe om de brug te zien. En bij de ongetwijfeld populairste nieuwe brug van het land hebben ze zulke opmerkelijke klanken vernomen dat hun oren klonken. Toch ging er ook nog iemand naar 'Wilnis om de dijk te zien/ Die was al oud/ Ik zag twee zijden,/ vroeger aaneen, nu door een scheur gescheiden.' Weer een ander toog naar Ajax om de spits te zien: 'Prijs deze spits, hij doet ons overwinnen.' Tijdens deze tochten naar rivieren of voetbalclubs drinken veel dichters een biertje, een enkeling ligt nog maar in het gras met een ouderwets kopje thee.
Ook de koffie was goed vertegenwoordigd in de huwelijksliederen die ons, opvallend vaak onder pseudoniem, naar aanleiding van een impasse werden toegestuurd. 'Waarover wil je dat ik schrijf?' Die vraag kent vele antwoorden - een gedicht heette dan ook toepasselijk: 'Impasse nummer zoveel' - maar geen één was er zo bondig als: 'Jij bent zo'n fantastisch wijf/ waarover wil je dat ik schrijf?/ over meer toch dan alleen jouw lijf?'
Verder lazen we over bijen die ten hemel stegen, kinderen die in de heide lagen, mannen die een dag uit vissen gingen. Maar we hoorden ook hedendaags gemopper op het kabinet, op de hsl- lijn, en op de soap uit Aalsmeer. Er zijn ook gedichten gemaakt die zijn voorgelezen aan mensen die Nijhoff gekend hebben, bijvoorbeeld aan een oude heer, die samen met Nijhoff diens lekenspelen heeft geregisseerd in de oorlog. We bekeken zelfs tekeningen, foto's, schilderijen met Nijhoffs poëzie als onderwerp.
En toen moesten wij dit werk van al deze 'lekenrijmers' beoordelen. Zo komen we weer bij onze beoordelingscriteria. Enkele uitstekende gedichten die geen enkel raakvlak met Nijhoff hadden, hebben we ter zijde moeten leggen. Met pijn in het hart. Maar we hebben ook gedichten afgekeurd die iets te dicht op het origineel zaten. In de beste gedichten troffen we een mengeling aan van oorspronkelijkheid en navolging.
Na een eerste ronde volgde een tweede. Een derde. Een ronde waarbij we elkaar de resterende gedichten hardop voorlazen, om te horen hoe ze klonken. En om te discussiëren over de ernst van kleine grammaticale foutjes, die een enkel gedicht toch wat ontsierde. Uiteindelijk bleven er tien winnaars over, van wie we de namen nu in willekeurige volgorde zullen noemen.
In de tuin heb ik een vijver
een stads stukje natuur,
daarin zie ik mijzelf als kind
uit vissen gaan met vader,
de hengels aan de fiets gebonden
het netje aan het stuur.
Een pakje brood, voor dag en dauw
dan samen zwijgzaam in de boot
en na een uurtje kleurt de zon
het water in de sloot.
Helaas, het beeld vervaagt
en ik hervat het ritme van de dag,
wat fijn dat ik, na al die jaren,
mijn vader even zag.
Jan de Dood
Gemis
Je was een dag naar Keulen en ik stond
lusteloos, of de dag was afgelast,
mèt niets dan vragen, voor de boekenkast,
toen ik per ongeluk een antwoord vond.
Het was een klein gedicht dat als een blad
neerdwarrelde uit het willekeurig boek
waarin ik bladerde, al jaren zoek
omdat er niemand iets te zoeken had.
Wat ongelovig lees ik wat er staat,
verrast, getroffen door het hoge woord
dat eruit oprijst, en zo bij mij hoort
omdat ik er niets in het midden laat.
Wat ik niet meer verwachtte dat ik had,
staat vast, nu je er even niet meer bent.
Nog een geluk dat jij me beter kent.
Ik hoor je sleutel in het sleutelgat.
Diner
Je liet me aarzelend je gedichten lezen
en zei niet veel- ik zag, je at ook niet
toen ik door duizend vragen blijken liet
dat ik ze eigenlijk al had afgewezen.
Ik heb je huid, je lijf en jeugd geprezen,
zocht in je verzen vluchtig naar verdriet
en sprak te veel, te luid, te expliciet -
vermeed het fluist'ren dat ik dacht te vrezen.
Ach, hoeveel woorden zijn niet camouflage?
Is dan een enkele blik geen groter vreugd,
voor d'eeuwigheid je kostbaarste bagage?
Ik zocht een feest, een bandeloze jeugd,
Maar vond mijzelf in jou, mijn stille page.
Je zwijgen heeft mij nog het meest verheugd.
Han de Ruiter
The end
Hoor nu dan Jim Morrison's einde,
De zon draalt met schroeiend gezicht
door de einder met wiegende bomen,
Vervangen door kunstmatig licht.
Ik hoor het orgel mystiek deinen,
Hoor hoe de stem voor stilte zwicht.
Hoor nu dan Jim Morrison's einde,
De zon daalt met schroeiend gezicht
Terwijl hij de rede tot ons richt
hoor ik het werkelijk zijnde;
De klank van het naderend einde
Bij het allervroegste ochtendlicht
slibben de platengroeven dicht.
Hoor nu dan Jim Morrison's einde.
Nijhoff
Van Nijhoff heb ik zijn verzameld werk hernomen
- te lang al in de kast gebleven, dicht en stom-
en nu zijn stoet van schepsel op verhaal zien komen,
korte en lange, jeugd en ouderdom.
Ik zag kreupel rijm en geforceerde beelden,
het vroom godsdienstige, het moederdicht,
soms bolle retoriek. Waarna het niet veel scheelde
of ik verloor een held, de held verloor gezicht.
Op maat van het vissend kind, de Florentijnse jongen
en natuurlijk de Impasse op bekend terrein
en in hernomen glans van wat geheugen was ontkomen
sloeg evenwel uur U. Awater toonde zijn
scheppers toverstaf die mij, scholier nog, volkomen
binnenbracht in het dichterlijk domein.
Erik Akkermans
Vincent
Hij heeft die dag een afspraak met de zon.
Die wacht hem op het hoge middaguur
In open veld, een simpel brok natuur.
Zijn schaduw is gevlucht zodra hij kon.
Hij stelt zijn ezel als een bastion,
Zijn oog ziet haast verblind het helle vuur,
Zijn hand tast naar de kleuren sterk en puur
En vindt dan vorm en lijn in eigen bron.
Voorbij is het duel. Maar wat hem treft,
Is dat, als hij zich omkeert met zijn vracht,
Zich uit het veld een vlucht van kraaien heft.
Een schaduw gaat hem voor, voorspelt de nacht.
Hij kijkt niet om, als iemand die beseft,
Dat daar in duister hem de waanzin wacht.
Louis Vermeulen
Terminaal
We stonden met zijn rolstoel op de brug,
vlak achter ons nog middeleeuwse gronden,
vóór ons de diepte en geen weg terug -
Theo en ik, aan vier wielen gebonden.
Toen vroeg hij: Ben je sterk? - Ik duwde hem,
maar moest terzelfder tijd hem vieren laten.
Zijn lijf woog bijna niets meer. Maar zijn stem
schoot vol van alles wat wij nooit vergaten.
Een verre kerkklok luidde iemand uit,
tot er geen leven en geen dood meer waren,
geen polderlucht, geen voren voor de aren.
Er was alleen, zich spannend als een huid
rondom ons, een aanwezigheid van vrede
in een geladen, onuitspreekbaar heden.
Jan Duin
Maskerade
Soldaten en vreemdelingen gaan te voet
- verlangen kent geen woning -
een bizarre, eindeloze stoet
schreeuwend om melk en honing.
Engelen en demonen vechten in de lucht
- vergetelheid maakt dwaas en oud -
een menigte in vogelvlucht
roepend om zege en klatergoud.
Dwalend over verlaten wegen
nat en luchtig in voorjaarsregen
zoekend naar de scheppingsfout.
Tijdloos gevangen nu en later
rustend in aarde, lucht en water
ijzig spiegelend brandt de zon te koud.
Margareet Mulder
Weerselo
Ik drink weer uit een tinnen glas
en eet het brood van vroeger dagen.
Het donkert tussen lichte kragen
riet: alles is nog als het was.
Maar in vervoering ben ik mijzelf niet,
aan alles en aan niets ontstegen
ga ik naar buiten. Allerwegen
is er schijn. In het riet
liggen schaduwen van botenhuizen.
Een stadstuin breekt een groter ruim
in twee. Moet ik mijzelf verguizen
om mijn extase te verdrijven?
Ik buig, ik zie mijn ouder jaren
en verenig mijn gescheiden lijven.
Hans Heestermans
Thomas vegt (65) uit Berkel en Rodenrijs- 'Gemis'
,,Mijn vrouw ging een dag naar een museum in Keulen en ik liep wat verloren rond. Sinds we allebei met pensioen zijn, zijn we veel bij elkaar. Terwijl dat vroeger toen we werkten niet zo was. Die dag heeft verder niet veel te betekenen. Maar het leek me een mooie aanleiding om onze relatie te evalueren en een nieuw bruilofslied te schrijven.
Vroeger schreef ik heel onstuimige gedichten. Ik heb altijd gedacht dat ik nog eens dichter zou worden, zo zijn er natuurlijk velen. Ik was leraar Nederlands en dan ben je nog wel eens met poëzie bezig. Dat is het Walhalla, denk je dan, daar wil ik bij horen. Maar dat jeugdwerk heb ik naar de prullenbak verwezen. Het waren onstuimige liefdesgedichten, wel erg hoogdravend, over de absolute, ideale liefde en dat soort dingen. Dat is allemaal prachtig natuurlijk, maar nog geen poëzie. Die oude, ideale liefde keert op een andere manier wel terug op zo'n dag als beschreven in dit gedicht.
Of ik veel heb geschreven? Honderden gedichten voor bruiloften en partijen. Maar schrijf dat er maar niet bij, want dan denkt iedereen dat ik zo'n gemankeerde figuur ben. Het is echt niet zo dat ik nu de Parnassos heb bestegen, hoor. Ik ben nog altijd erg onder de indruk van Nijhoff. Marsman, andere dichters, die raak je gaandeweg kwijt. Maar de poëzie van Nijhoff heeft een geraffineerde eenvoud en die typische, tegen spreektaal aanhangende formulering. Hij is ook een ontzettend knappe technicus.
Wat mijn vrouw van het gedicht vindt? Ze heeft het nog niet gelezen, ik had het voor haar geheim gehouden. Het leek me zo leuk als het zomaar in de krant zou staan.''
Kees-Jan Visser (28) uit Heerjansdam - 'The end'
,,Ik vond het gedicht 'Sonate' altijd al heel erg mooi, maar ik heb meer met popmuziek. 'The end' van The Doors schoot me het eerst te binnen. Dat nummer begint vrij rustig, dan komt er een uitbarsting van muziek en het eindigt weer rustig. In dat einde hoor ik de dood, net als in de laatste strofe van Nijhoffs gedicht 'Sonate': Wij moeten sterven met den dageraad / Wanneer de wind waait door de vale straat - / Hoor de sonate der clavecimbale!.
Ik heb goede jeugdherinneringen aan 'The end', het was altijd het laatste nummer dat gedraaid werd op feestjes. Ik zag ook beelden voor me uit de film 'The Doors' van Oliver Stone.
Met Nijhoff maakte ik kennis op de middelbare school. Na school heb ik nog twee jaar Nederlands gestudeerd, daarna had ik verschillende banen. Op dit moment zit ik in een sollicitatieprocedure bij de politie, ik ben net door de eerste ronde heen. Poëzie en politie, dat zijn wel hele andere werelden. Maar misschien is het goed om als politieman Nijhoff te lezen, om even uit die wereld te stappen.
Er staan twee bundels van Nijhoff in mijn kast, die pak ik er in een verloren uurtje nog wel eens bij. Nijhoff is wel een van de allergrootsten. Zijn taalgebruik is soms een beetje archaïsch, maar ik vind dat zijn gedichten altijd heel mooi in elkaar zitten. Mijn gedicht is misschien niet zo knap als dat van Nijhoff, maar het is wel gecomponeerd, het zit strak in elkaar.
Of ik vaker gedichten schrijf? Op dit moment herlees ik de gedichten uit mijn middelbare schooltijd, daar blijft zo'n 3 procent van over. Ik schrijf nog steeds wel, maar ik laat mijn gedichten zelden aan iemand lezen. Ik zou mezelf ook niet echt een dichter willen noemen.''
Jan Duin (69) uit Zuidoostbeemster - 'Terminaal'
,,Ik ben gepensioneerd priester. Mijn seminarieklasgenoot Theo is op 20 december 2001 aan kanker gestorven. In de zomer van dat jaar gingen we een aantal keren samen wandelen door de polder. Hij in een rolstoel, ik erachter, en dan kwamen we uit op een bruggetje. Ik moest dat bruggetje af, maar de eerste keer durfde ik dat eigenlijk niet. Ik was bang dat ik die rolstoel met zijn weerloze lichaam uit mijn handen zou laten glijden. Op die brug werden we samen terminaal, we waren aan het einde van onze krachten en mogelijkheden. Het was erop of eronder. Het had bij wijze van spreken daar kunnen gebeuren dat hij het leven liet.
Tijdens de wandeling stelden we onszelf de vraag: wat zou het laatste woord zijn dat je zou willen horen? Hoe zou je je uiteindelijk verzoend voelen, door welk woord word je gerustgesteld? Toen kwamen we allebei op 'vrede' uit en dat woord werd geladen door onze wandeling.
Ik hou van Nijhoff omdat zijn taal zo gewoon is, er staat ook geen woord te veel in zijn gedichten. Nijhoff is mijn grote voorbeeld. Zijn poëzie heeft ook een verborgen religieuze inhoud. Het is een anonieme religiositeit en juist dat spreekt me zo aan. De theologische taal is een soort juridische taal, definitiegewijs en dogmatisch, met een duidelijk godsbeeld. Dichters zijn zoekend, veel gedichten eindigen met een vraag en niet met een antwoord.
Ik ben 40 jaar priester geweest en ik heb altijd geprobeerd om religeuze gevoelens onder woorden te brengen. Ik heb veel liederen en religieuze teksten geschreven. Op dit moment ben ik samen met een vriend bezig om psalmen opnieuw te berijmen. Daarin hoop ik de eenvoud van Nijhoff te betrachten.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.