*

 

Hoe krijgen we Irak op weg

door Fouad Ajami − 25/01/03, 00:00

Het voornaamste motief voor een militair ingrijpen in Irak moet de wens zijn om de Arabische wereld te moderniseren, vindt de Amerikaans-Libanese Midden Oosten-expert Fouad Ajami. Net zoals in Japan na de Tweede Wereldoorlog, moet Amerika langere tijd in Irak blijven, en zich intensief bemoeien met de vorming van een federale staat, maar ook met de media en het onderwijs. De VS zijn de Rubicon overgetrokken: 'Elk schadelijk effect van een oorlog valt ongetwijfeld in het niet bij de verschrikkelijke gevolgen die het zou hebben als Amerika het bijna tot een oorlog laat komen, maar zich op het laatste moment inhoudt en de Iraakse dictator de kans geeft om de voorwaarden voor een nieuw uitstel van executie te regelen.'

We moeten ons geen illusies maken over het Arabische politieke toneel dat Amerika zal aantreffen als het een oorlog begint tegen het bewind in Irak. Het zal niet lukken om de overgrote meerderheid van de Arabieren ervan te overtuigen dat deze oorlog rechtvaardig is. Als de inspecteurs van de VN worden tegengewerkt en Amerika een militaire campagne onderneemt, zullen veruit de meeste Arabieren die zien als koloniale inmenging in hun wereld, als gunstbetoon aan Israël of als een zet waarmee de Verenigde Staten zich van zeggenschap over de Iraakse olie willen verzekeren. Luisteren naar de grote buitenlandse mogendheid zou niemand.

Amerika zou met dit wantrouwen moeten kunnen leven. Het zou in staat moeten zijn veel van dit antiamerikanisme met een korrel zout te nemen en te beschouwen als 'agressief rijgedrag' van een Arabische wereld die zich gedwarsboomd voelt. Zulk gedrag is nu eenmaal eigen aan een cultuur die er nog niet aan toe is de volle verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de wonden die ze zich zelf heeft toegebracht. Het is niet nodig de politieke heilige koeien en de gegevenheden van de regio al te zeer te eerbiedigen. In deze situatie is de regio meer gebaat met de eenvoudiger richtlijnen van een buitenlandse mogendheid die op hervorming uit is, dan met haar eigen eeuwenoude verbodsbepalingen en tekortkomingen.

Amerika moet niet alleen het regime van Saddam Hoessein omver willen werpen en zijn wapentuig willen ontmantelen. De beweegreden achter een nieuw Amerikaans optreden in Irak en zijn Arabische buurlanden zou ook en vooral de wens moeten zijn om de Arabische wereld te moderniseren. De VS zijn veel te lankmoedig geweest jegens de hebbelijkheden en de fobieën van Arabieren en zowel de Arabieren zelf als de Amerikanen hebben daarvan de wrange vruchten geplukt. Het is hard en oneerlijk, maar wel waar: de strijd tussen Arabische heersers en opstandelingen is voorlopig een zaak die Amerika aangaat.

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw begon het politieke en economische bestel van de Arabische wereld te bezwijken. Wat in de periode na de onafhankelijkheid was opgebouwd, bleek niet bestand tegen de enorme bevolkingsgroei en daarop kwam, als een dodelijke wind, een fanatiek moslimfundamentalisme aanwaaien. Het bood troost, verlokte de jeugd en verschafte Arabieren de middelen en de taal om aan hun wrok en afkeer uitdrukking te geven. Een tijdlang bleven de echecs van de Arabische wereld beperkt tot het eigen domein, maar daar brachten migratie en grensoverschrijdende terreur verandering in. Het vuur breidde zich naar andere landen uit en de VS zelf werden het voornaamste doelwit van een gekrenkt volk dat in eigen land en van zijn eigen heersers geen gerechtigheid meer verwachtte. Het was de schokkende verrassing van 11 september 2001 die, wat Irak betreft, bij Amerika de balans deed doorslaan: in plaats van bedwongen moest het regime van Saddam vervangen worden.

Wie wil hervormen, kan het niet bij woorden laten. Amerika hoeft zich er niet al te zeer voor te verontschuldigen dat het alléén optreedt. De regio kan met dit 'unilateralisme' leven en er gebruik van maken. Amerika is nu oppermachtig en jan en alleman kan daar een rechtvaardiging in vinden om akkoord te gaan met wat Amerika nastreeft. Dankzij het vijgenblad van een unanieme resolutie van de Veiligheidsraad die ontwapening van Irak goedkeurt - zelfs ondertekend door het Syrische bewind - zullen de Arabische heersers kunnen beweren dat ze eenvoudigweg in het onvermijdelijke moesten berusten en dat Saddam de oorlog heeft gekregen waar hij om gevraagd had.

Uiteindelijk zullen de Arabieren zelf de strijd voor een seculier en gemoderniseerd bestel in de Arabische wereld moeten voeren. Maar macht telt en de wil en het prestige van een machtige mogendheid kunnen ertoe bijdragen dat de balans doorslaat naar moderniteit en verandering. 'De Amerikanen komen eraan', verkondigden de moslimfundamentalisten na de snelle nederlaag van de Taliban. En ze zochten schielijk dekking, toen hun 'liefdadige instellingen', hun gestook, hun financiële netwerken en hun wervingsapparaat opnieuw grondig onderzocht werden.

Het politieke establishment in de regio zal hopen de dans te ontspringen, wegduiken en dekking zoeken. Wat de Arabische heersers willen, is geen Desert Storm ('woestijnbestorming', zoals in de Golfoorlog van 1991), maar een ideale storm: een snelle oorlog, weinig slachtoffers, zelf zoveel mogelijk uit beeld blijven, en de kans om van Saddam verlost te worden zonder dat ze voor het oog van iedereen met de Amerikanen optrekken of door hun volk ter verantwoording worden geroepen.

Zoveel geluk is politieke machthebbers zelden beschoren, maar in deze netelige positie verkeren de buitengewoon impopulaire heersers die hun volk nooit in vertrouwen hebben genomen, met Amerikaanse steun aan de macht zijn gebleven, maar voor uiterst kwaadaardige vormen van antiamerikanisme de ogen hebben gesloten.

Gezien de strijdlustigheid en het zelfmedelijden in de Arabische wereld, haar distantie tot de moderne cultuur en haar voorliefde voor complottheorieën mogen we aannemen dat daar geen groeperingen met een progressieve of seculiere traditie te vinden zijn die een overwinning van de VS zullen aangrijpen om een alternatief voor een tiranniek bewind te ontwikkelen. Weinig Arabieren zullen een Amerikaanse actie aanzien voor een campagne om in de Arabische wereld de heerschappij van de vrijheid te vestigen. Hun twijfel zij hun vergeven, want de VS hebben geen vertrouwen gesteld in de middenklasse en de experts in deze landen. In plaats daarvan hebben ze hun macht gegrondvest op betrekkingen met militaire heersers en monarchen die geen mandaat van hun volk hebben, en hebben ze kwaadaardige culturele en politieke tendensen in de Arabische wereld getolereerd. Wil Amerika een nieuwe rol in de regio vervullen, dan zal het hiermee moeten breken.

Meer dan tijdens de Golfoorlog van 1990-1991 staan de VS er nu alleen voor. Toen kregen ze lokale steun voor wat in feite een campagne van een wereldmacht was tegen een Iraakse staat die het machtsevenwicht in het Golfgebied teniet dreigde te doen. Moslimjuristen in Saoedi-Arabië en Egypte vaardigden zelfs fatwa's uit die de expeditie van de buitenlandse mogendheid wettigden. De drie mogendheden die gewicht in de schaal legden - Egypte, Syrië en Saoedi-Arabië - kantten zich tegen Saddam Hoessein. Maar voor de overgrote meerderheid van de Arabieren was Desert Storm een Anglo-Amerikaanse operatie met de oppermacht als inzet. Een rover was opgestaan in de regio en een grote buitenlandse mogendheid had zijn greep naar de hegemonie verijdeld.

In 1990-91 bejubelden de Arabische massa's Saddam, want de dynastieën die hij tegenover zich vond, waren bij hen niet populair. Maar ditmaal hebben ze op de Iraakse heerser niet veel hoop gevestigd. Saddam deed tevergeefs een gooi naar de hegemonie en trakteerde een wereld die al zoveel nederlagen had geleden, op de zoveelste ramp. De massa die zich door Osama bin Laden liet meeslepen, was dezelfde die er ooit op had vertrouwd dat de Iraakse heerser haar rekeningen met de wereld zou vereffenen. Met de strijd tegen hem is het nu anders gesteld. Ook al schreeuwt de massa zich schor tegen de Amerikanen, haar band met Saddam Hoessein is verslapt.

Amerika kan in de Arabische wereld op twee manieren met zijn macht omgaan. Het kan zich inhouden omdat het pessimistisch is over de mogelijkheid om die stijfhoofdige wereld te veranderen. In dat geval zouden de VS ofwel de Iraakse dictator sparen ofwel een oorlog beginnen om beperkte politieke doeleinden te bereiken. Het alternatief is ambitieuzer: streven naar een veelomvattende rol in het Arabische politieke leven, leiding geven aan een hervormingscampagne om het Arabische politieke landschap grondig te veranderen en te moderniseren. Die campagne zou in Irak moeten beginnen - om zich daarna uit te strekken tot een Arabische cultuur waarvan de misère en de fiasco's maar al te pijnlijk ten toon zijn gespreid.

Met de eerste optie zijn we terug bij Desert Storm. Na een campagne met verheven morele voornemens hielden de VS zich in. De drijfveer om dieper in Irak of in de Arabische politiek door te dringen, ontbrak. Het machtsevenwicht was hersteld en met de interne gang van zaken in de Arabische staten bemoeide George Bush sr. zich niet. Hij had de Irakezen ertoe opgeroepen 'de zaken zelf in handen te nemen'. Zijn oproep was beantwoord in de heuvels van Koerdistan en in het zuiden van Irak, waar in Basra een opstand uitbrak die zich uitbreidde naar de sjiitische heilige steden Najaf en Karbala. Even leek het alsof het regime zou bezwijken, toen gevangenissen werden ontruimd en rondzwervende frontsoldaten zich bij de opstandelingen voegden. Maar de opstanden werden, met gevechtshelikopters, onbeschrijflijk wreed onderdrukt.

Sommige topfiguren in de regering-Bush waren erop gebrand een punt achter de oorlog te zetten. Dit gold vooral voor de hoogste militaire chef, Colin Powell. 'Geen van de opstanden had kans van slagen', zou hij later schrijven. 'En eerlijk gezegd was het voor ons ook geen beleidsdoel dat ze zouden slagen.' Het was een navrant einde van een campagne die geafficheerd was als het begin van een nieuwe internationale orde. Orde op zaken stellen in Irak was geen oorlogsdoel geweest.

Maar inmiddels is er in de Arabische wereld het een en ander veranderd en staat er voor de VS meer op het spel. De Iraakse dictator zit er nog steeds. Zijn tegenstanders heeft hij voor gek gezet door talloze in memoriams te overleven. En mede aan het vertrouwde machtsevenwicht in de regio waren de terreuraanslagen van 11 september 2001 te wijten. De VS zijn tussen twee vuren terechtgekomen: aan de ene kant regimes die in hun land de baas zijn, aan de andere kant opstandige moslimfundamentalisten. Deze rebellen konden in Algerije, Egypte, Tunesië en Syrië en op het Arabisch schiereiland geen overwinning behalen. En dus gingen ze de grens over en namen Amerika op de korrel. Over hun motieven waren ze genadeloos openhartig. Ze hadden het niet op Amerika gemunt omdat het Israël in bescherming nam, maar maakten onderscheid tussen 'de vijand dichtbij' (hun eigen regeerders) en 'de vijand veraf', de VS.

De nabije vijand was in eigen huis niet te verslaan - waarom dan niet zijn Amerikaanse beschermheren onder vuur genomen? Die gedachte bezielde onder anderen de Saoedi-Arabische leden van Al-Kaida. Het Huis van Saoed konden ze niet te gronde richten. Dankzij de rijkdom van de dynastie, haar politieke oppergezag en het conservatisme van de godsdienstige autoriteiten waren de heersers onmiskenbaar in het voordeel in hun strijd met de opstandige fundamentalisten; een oorlog tegen Amerika was het beste alternatief. De grote mogendheid was een gemakkelijker doelwit: er golden minder beperkingen, ze was minder achterdochtig en haar vrijheden konden gemakkelijker door een bende van djihad-strijders worden misbruikt. Die terroristen en hun leider, Bin Laden, hadden het gemunt op het zelfbeeld dat de Saoedische dynastie zo zorgvuldig koesterde. Ze kon niet doen alsof de Arabische zonen die op 11 september aan boord van de vier vliegtuigen waren gegaan, en de talloze jongemannen die op een Amerikaanse militaire basis op Cuba gevangen worden gehouden, niets met Saoedi-Arabië uitstaande hadden. Bin Laden kreeg voor elkaar dat er een crisis in de Saoedisch-Amerikaanse betrekkingen ontstond. De vijftien jonge Saoedi's werden naar die vliegtuigen gedirigeerd opdat oude ideeën over de stabiliteit van de monarchie in hun land in twijfel zouden worden getrokken. Ere wie ere toekomt, al is het de duivel: Bin Laden wist hoeveel waarde de dynastie hechtte aan haar bevoorrechte relatie met de VS. Hij had een subtiel gevoel voor de culturele stijl van het regime en wist maar al te goed hoe doodsbang het was voor openlijke meningsverschillen en kritisch onderzoek. Door de officiële voorstelling van zaken als zouden in het land rust en harmonie heersen, te ontzenuwen, bezorgde hij het Huis van Saoed de ultieme nachtmerrie.

Het vernis van de harmonische relatie tussen Saoedi-Arabië en de VS moest wel barsten. De Saoedische bevolking was jonger, armer en ontevredener geworden. Radio- en tv-zenders verbreidden een bitter antiamerikanisme. Een jongere generatie van geradicaliseerde predikers had twijfel gezaaid aan de traditionele leer die gehoorzaamheid aan de heersende macht beval. Toen her en der een anti-Amerikaanse en antimodernistische wind opstak, deden de regeerders een stap opzij. De koninklijke familie gedroeg zich behoedzaam: ze bleef bondgenoot van Amerika, maar liet het antiamerikanisme ongemoeid.

Of het tot een oorlog komt, moet er mede van afhangen wat Amerika voor Irak in het verschiet ziet liggen. Wil een nieuw bestel wortel schieten, dan is een langdurige Amerikaanse aanwezigheid onvermijdelijk. Irak beschikt over een aanzienlijk sociaal kapitaal en over de op een na grootste oliereserves van de regio. Alfabetisme, wetenschappelijke kennis en technische expertise kunnen er op een lange traditie bogen. Het land kan gebruikmaken van de vaardigheden en middelen van talloze Irakezen in de diaspora: grote groepen zijn de woelige politiek en de repressie in hun vaderland ontvlucht.

Omwille van de Pax Americana is een hervorming onder auspiciën van de VS de inspanning en risico's waard. In Saoedi-Arabië heeft Amerika al bijna zes decennia voet aan de grond, in Egypte meer dan een kwarteeuw. In beide landen heersen woede en afkeer jegens de VS. Wat in Arabië is opgebouwd, lijkt ernstig in gevaar te zijn. In Irak ligt dat misschien anders; het kan een basis in de Arabische wereld worden die niet door het gif van het antiamerikanisme is aangetast. Het land ondervindt geen hinder van het soort godsdienstige verbodsbepalingen waarvoor de Amerikanen in het rijk van de Saoedi's voortdurend op hun hoede moeten zijn. Het zou wel eens meer dan Egypte rijp kunnen zijn voor een democratisch bestel, al was het alleen maar omdat het rijker is en geen last heeft van een buitensporige bevolkingsdruk noch van de voortdurende dreiging van een fundamentalistische beweging.

Een nieuw regime in Irak zou wel eens bereid kunnen zijn afscheid te nemen van het giftige panarabisme (het streven om alle gebieden waar Arabieren wonen, in één groot rijk te verenigen). Het is zeer wel mogelijk dat in een nieuw Irak de passie voor de Palestijnse zaak verflauwt, al was het alleen maar omdat de Palestijnen Saddam Hoessein zo trouw hebben gesteund. Irak, een Arabisch grensland op grote afstand van het Middellandse-Zeegebied, is weliswaar gewoon het vuur van het antizionisme op te stoken, maar altijd in de wetenschap dat anderen die dichter bij dit vuur zitten - Jordaniërs, Palestijnen, Egyptenaren, Syriërs en Libanezen - het risico lopen erdoor verteerd te worden. Nieuwe politieke machthebbers in Irak kunnen het misschien opbrengen te erkennen dat Palestina en de Palestijnen de Irakezen niet aangaan. Een nieuwe regerende elite die het land weer op de been helpt, zou kunnen vaststellen dat een zwaarbelast land geen gulle giften hoeft uit te delen aan de families van Palestijnse 'martelaren' die een zelfmoordaanslag hebben gepleegd.

Een nieuw politiek bestel in Irak zou ook de sjiieten en de Koerden meer zeggenschap verlenen en geen van deze bevolkingsgroepen is trouw verschuldigd aan de heilige koeien van het arabisme. Op het politieke toneel van de Arabische wereld neemt de Iraakse oppositie een buitengewoon geïsoleerde positie in. De tegenstanders van Saddam hebben nooit financiële steun van Egypte of Saoedi-Arabië ontvangen en evenmin hebben de Arabische nationalisten en 'de massa op straat' zich achter hen geschaard. Ze zijn altijd op eigen houtje actief geweest vanuit Londen en Iran, met steun - althans de laatste tijd -van de VS. Ze hebben de handen vrij om aan een nieuw Irak vorm te geven zonder zich veel aan te trekken van wat Arabieren elders willen.

Het panarabisme dat het politieke leven in Irak heeft besmet, gaat uit van een grove versimpeling van de bonte geschiedenis van dit land. Het is een zweep in de handen van een minderheid die de eerste viool wil spelen en de rechtmatige aanspraken van andere gemeenschappen wil negeren. Irak was een land van Koerden in het hoogland, Arabieren in moerasachtige streken, soennieten, sjiieten, Turkmenen, Assyriërs, Joden en Chaldeeën. Maar de macht berustte alleen bij de soennitische Arabieren, afkomstig uit de stadsbevolking, de bevoorrechte gemeenschap in de (soennitische) Ottomaanse staat.

De Britten hebben Irak bestuurd via de soennieten. Ze gingen er terecht van uit dat een heersende gemeenschap die een vijfde van de bevolking omvat, gemakkelijk aan buitenlandse voogdij kon worden onderworpen. Het is een navrante en ironische speling van het lot dat de soennitische Arabieren van twee walletjes konden eten: ze waren de gevolmachtigden van de koloniale mogendheid én de exponenten van een luidruchtige, strijdlustige Arabisch-nationalistische ideologie.

Aan olie en terreur dankte de staat de vrijheid om de samenleving links te laten liggen, en de middelen om alle potentiële tegenstanders te vernietigen. Het regime werd met de dag kliekeriger, meedogenlozer, soennitischer en Arabischer. In een militaire campagne in 1933 werden de Assyriërs vernietigend uitgeschakeld. Toen werden de Joden van hun bezit beroofd en verdreven. Alleen met de sjiieten, de Koerden en de Turkmenen moest nog worden afgerekend.

Ook de macht van de staat groeide. De overheersende positie van Saddam Hoesseins stadgenoten uit Tikrit had tot gevolg dat het regime zich meer en meer isoleerde van de samenleving. Nadat de opkomst van het stoomschip de inwoners van Tikrit had beroofd van hun traditionele broodwinning - de bouw van vlotten - kwamen ze bij toeval terecht op de militaire academies en in de veiligheidsdiensten. Daar ontwikkelden ze een geheel nieuwe activiteit: staatsterreur. Voor hun heerschappij moesten ze een ideologisch excuus vinden en het panarabisme bleek een perfect instrument te zijn om anderen uit te sluiten, een moderne dekmantel voor een exclusief stamverband.

De Vruchtbare Halvemaan - de regio in het Midden-Oosten die het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris omvat - is altijd een land van rivaliserende gemeenschappen en hechte minderheden geweest. Het Arabische nationalisme, het credo van de heersers van Irak, negeerde de contradicties die daarin besloten lagen, en ontwikkelde zich tot een onbuigzame arabistische leer. Met zijn radicalisme ruïneerde het in de loop van de tijd de Arabische wereld en schiep het in de Vruchtbare Halvemaan een wel heel afstotelijk en gewelddadig politiek klimaat. Saddam kwam niet uit de lucht vallen; hij was een product van de zonden waaraan zijn wereld zich in doen én laten schuldig had gemaakt. De moorddadige ijver waarmee hij de Koerden en de sjiieten onderdrukte, weerspiegelde diepgewortelde historische tendensen in het Arabische leven.

De afgelopen jaren heeft het er vaak op geleken dat de Arabische politieke traditie immuun is voor democratische initiatieven. De omverwerping van een afschuwelijk regime met een zo wijd verbreide terreurcultus kan Irakezen en Arabieren de kans bieden om zich af te keren van de bedrieglijke geschenken van despotische regimes. Als het zover komt, wordt de opdracht om Irak te vernieuwen - of te ontgiften - een ingrijpende operatie. De opmerkelijke rehabilitatie van Japan tussen de capitulatie in 1945 en het herstel van de soevereiniteit in 1952 vormt een historisch precedent. Toegegeven: geen enkele analogie gaat ten volle op. Irak verschilt alleen al van Japan omdat het zo heterogeen is. Ook is de Amerikaanse maatschappij anno 2003 radicaal anders dan in 1945. De interne verschillen zijn groter, er heerst meer twijfel en het ontbreekt aan het besef van een gerechtvaardigde missie dat Amerika in de oorlogsjaren bezielde en het na de oorlog ertoe aanzette in Japan aan de slag te gaan.

Desondanks is het Japanse precedent van groot belang. Binnen een decennium veranderde het keizerlijke Japan in een meer egalitaire, moderne maatschappij. In een land dat door militarisme vergiftigd was, ontwikkelde zich een pacifistische kijk op de wereld. Dit was mede te danken aan de bemoeienis van de overwinnaars met de media, het onderwijsstelsel en de leerboeken. Dat zal ook in Irak moeten gebeuren, wil een militaire campagne achteraf gerechtvaardigd blijken. Het theatrale optreden en de megalomanie van generaal Douglas MacArthur, hoofd van de bezettingstroepen in Japan, mag dan niet meer van deze tijd zijn, het zou goed zijn als Irak onder het interim-bestuur kwam te staan van een moderne hoge commissaris die het land op weg helpt naar een normale wereld.

In de kring van de Koerden zijn voorstellen gedaan voor een federaal, gedecentraliseerd bestuur dat het land intact laat maar deze minderheid de mate van autonomie geeft die haar beloofd werd toen ze, in het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw, gedwongen werd zich te voegen onder het gezag van een in Bagdad gevestigde Arabische regering. In een vorm van federalisme kan de redding van Irak liggen. Het zou het patroon doorbreken van de op bevel van hogerhand geregeerde staten die in de Arabische wereld domineren. In hun recente geschiedenis zijn de Koerden herhaaldelijk verraden en door die verschrikkelijke ervaringen heeft zich bij hen de gewoonte ontwikkeld broedermoord te plegen en onderling te rebelleren. Maar de Koerden verdienen lof voor wat ze in het voorbije decennium in het land van hun voorvaderen in Noord-Irak hebben opgebouwd, zij het onder de bescherming van de Britse en Amerikaanse luchtmacht. Wat ze tot stand hebben gebracht, is broos en kan het begeven, maar onder de argusogen van twee vijandige mogendheden, Iran en Turkije, lijken de Koerden heer en meester te zijn in de zone die ze besturen -een gebied dat een tiende van Irak omvat en waar 15 procent van de bevolking woont.

De Koerden zouden met hun ervaringen en met het zelfvertrouwen dat ze zich in de periode van zelfbestuur hebben verworven, een bijdrage kunnen leveren aan de discussie over een nieuw Irak. In het algemeen geldt trouwens dat het nieuwe Irak alleen een gedeeld 'eigendom' kan zijn. De verschillende gemeenschappen zullen moeten samenwerken om staat en maatschappij zo in te richten dat iedereen ermee kan leven.

Een nieuw Irak zou ook functioneren als een spiegel waarin de wereld kan zien hoe Amerika met zijn macht omgaat. Anderen zullen dat met argusogen volgen. Er zullen Arabieren zijn voor wie vaststaat dat hun wereld opnieuw wordt gekoloniseerd. Panarabisten zullen met stelligheid beweren dat Irak 'de Arabieren uit handen is genomen', is overgedragen aan de minderheden in het land en kwetsbaarder is geworden voor acties vanuit Turkije en Iran, de twee naburige niet-Arabische staten. Europeanen zullen speuren naar zwakke plekken en defecten in het gedrag van de verre grote mogendheid. Het oordeel dat ertoe doet, zal in de VS worden geveld en betreft de winst- en verliesrekening van de last die de VS als imperium op zich hebben genomen. Het Britse wereldrijk moest die rekening opmaken toen het uitgeput was. Aan de vooravond van de Britse bezetting van Irak, bedroeg het bruto binnenlands product van Groot-Brittannië 8 procent van dat van de hele wereld. Het vergelijkbare getal voor de VS van nu is minstens het drievoudige. Amerika kan zich een grote rol in Irak, en daarbuiten, veroorloven. Of het die rol ook wil en er belangstelling voor heeft, is een heel andere vraag.

De Arabische wereld kan het effect van een Amerikaanse overwinning verzwakken en zelfs tenietdoen. Haar politieke structuur is lastig, op het onmogelijke af. Ze zou de boodschap dat hervorming nodig is, kunnen afwijzen door te blijven oreren over de zonden van de Amerikaanse boodschapper. De Arabische wereld beschikt over talloze uitwegen. Ze kan wijzen op het furieuze geweld van het Israëlisch-Palestijnse conflict en dat als alibi gebruiken voor nieuwe aanvallen van zelfmedelijden en woede. Ze kan hervormers in spe in eigen kring uitjouwen en hen afschrijven als lieden die medeplichtig zijn aan een aanval door buitenlanders. Een oorlog tegen het regime van Saddam vergt dus van Amerika behoedzaamheid en een nuchtere kijk op de complicaties. Maar het moet inzien dat het de Rubicon is overgetrokken. Elk schadelijk effect van een oorlog valt ongetwijfeld in het niet bij de verschrikkelijke gevolgen die het zou hebben als Amerika het bijna tot een oorlog laat komen maar zich op het laatste moment inhoudt en de Iraakse dictator de kans geeft om de voorwaarden voor een nieuw uitstel van executie te regelen.

Het is het lot van grote mogendheden die buitenslands orde scheppen, dat ze dit doen in een wereld die hun bescherming aanvaardt maar tegelijkertijd jammert over onderdrukking. Deze nieuwe expeditie naar Mesopotamië zou op die regel geen uitzondering zijn.

mailIcon print |