De oorlog tegen Irak komt steeds dichterbij maar hij is al lang onderweg. Toen het Witte Huis eenmaal had besloten Saddam Hoessein en zijn regime uit de weg te ruimen en de eerste Amerikaanse troepen in het Midden-Oosten waren gearriveerd, kon niets of niemand de oorlog meer tegenhouden. De enige vraag is wanneer de aanval zal worden ingezet.
Natuurlijk gaat Amerika liever met instemming van de Verenigde Naties aan de slag, maar een absolute voorwaarde is dit niet. Het is herhaaldelijk uitgesproken: laten de andere landen het afweten, Amerika zet door. Vandaar dat het eindeloze internationale gekissebis de Amerikanen wel irriteert maar niet hindert. Tot oorlog is toch al besloten en de resterende tijd kan worden gebruikt om in het oorlogsgebied op volle sterkte te komen en bondgenoten te zoeken.
Het valt op dat de burgers weinig of niets wordt gevraagd. In veel landen is de bevolking in meerderheid tegen militair ingrijpen maar de regeringen gaan hun eigen weg. Internationaal-politieke motieven blijken zwaarder te wegen dan de publieke opinie.
Toch gaat de discussie voort, ook in Nederland, dat als kleine natie geen vinger in de pap heeft en meegezogen wordt in de stroom van de komende wereldhistorische gebeurtenissen. Discussie is niettemin van belang omdat wij als burgers van een democratisch land het recht en de plicht hebben het voor en tegen van deze oorlog af te wegen.
Helaas blijkt het buitengewoon moeilijk tot een eenvoudig en eensluidend oordeel te komen. Er is momenteel eerder sprake van een kakofonie, resultaat van het door elkaar gebruiken van allerlei overwegingen, de ene nog respectabeler dan de andere, maar alles bijeen onvoldoende om 'ja' of 'nee' te kunnen zeggen.
Het eenvoudigst hebben degenen het die alles laten afhangen van hun mening over de hoofdrolspelers. Wie enigszins onpasselijk wordt van de cowboys in Washington en van het onvolwassen gedram van George W. Bush, pleegt te vergeten dat Saddam Hoessein een notoire schurk is – en vice versa. De grote vraag is echter of deze oordelen een beslissende rol moeten spelen: de wereld is nu eenmaal vergeven van cowboys en schurken en met beiden moeten we leven.
Ze kunnen trouwens bijzonder effectief zijn, zoals de geschiedenis leert. Hollywood-cowboy Ronald Reagan wist de Koude Oorlog in het voordeel van de westelijke wereld te beslissen en schurk Jozef Stalin was onmisbaar bij het vernietigen van nazi-Duitsland.
Ontoereikend is evenzeer de vraag of de VS niet buiten hun boekje gaan door de oorlog te verklaren aan een land dat geen agressie pleegt en geen onmiddellijke bedreiging voor de aanvaller vormt. Volgens het Handvest van de Verenigde Naties is zo'n 'preventieve' oorlog onverantwoord, om niet te zeggen absoluut verboden. Het cynische antwoord luidt dat de enig overgebleven supermacht Amerika zich dit kan veroorloven: niemand kan beletten als zij, om welke reden ook, een ander land aanvalt. Nog cynischer: de andere staten doen er verstandig aan de VS niet te veel voor de voeten te lopen. Zie de zorgelijke toon die wordt aangeslagen over Duitsland: door dwars te liggen isoleert onze oosterbuur zich, en dat is dom.
Een stap verder gaat de discussie met het argument dat nationale soevereiniteit eigenlijk een verlegenheidsbegrip is en niet meer van deze tijd. De wereld is tezeer een eenheid geworden om nog te kunnen toestaan dat een land, met een beroep op het soevereiniteitsbeginsel, een politieke koers kan volgen die anderen mogelijk bedreigt.
Wie sterk genoeg is om die bedreiging af te wenden en het land tot de orde te roepen, heeft daartoe zelfs de plicht. Zo gezien, krijgt de wordende Pax Americana een morele kwaliteit: we mogen van geluk spreken dat in onze ordeloze wereld ten minste één sterke mogendheid pogingen doet orde op zaken te stellen. Amerika als 'sheriff' – zo zien de Amerikanen het graag zelf, en anderen mét hen.
Nog een stap verder gaat de Amerikaanse belofte om in het Midden- Oosten de democratie te introduceren. Er zal niet alleen een gevaarlijke tiran worden verwijderd, er zal bovendien een vredelievend en humaan politiek bestel worden gevestigd. Vandaar de verwijzingen naar het Duitsland en Japan van na de Tweede Wereldoorlog, waar ook een dictatoriaal regime werd verwijderd en een democratische orde werd opgebouwd.
Het is een prachtig vooruitzicht, herinnerend aan de leuze waarmee Amerika in 1917 de Eerste Wereldoorlog in ging: to make the world safe for democracy, 'om de wereld veilig genoeg voor democratie te maken'. Het lukte die eerste keer weliswaar niet – integendeel – maar de tweede keer was het raak.
Het neemt de twijfel niet weg. Oorlogsdoelen zijn gemakkelijk te formuleren maar hoe een oorlog zal verlopen en uitpakken, blijft ongewis. Irak is, anders dan Duitsland in 1945, geen land waar men enige ervaring heeft met democratie; het is bovendien geen land dat, wederom anders dan Duitsland, omringd is door democratisch gezinde staten. Irak ligt in een dictatoriaal en feodaal geregeerde islamitische wereld, die vijandig staat tegenover het Westen en zeker tegenover Amerika.
Dus blijven we terecht aarzelen. Adolf Hitler – en hij heeft het ervaren – zei eens dat het beginnen van een oorlog neerkomt op het openen van een donkere kamer: niemand weet wat hij zal aantreffen. Die donkere kamer gaan we straks in – met vrees en beven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.