*

 

Niet zomaar werknemers uit arme landen halen

Ronald Berkvens − 08/02/03, 00:00

Migranten tijdelijk toelaten om hier te werken kan zowel voor de rijke als arme landen gunstig zijn. Maar er is meer nodig om ontwikkeling te helpen. Bijvoorbeeld een verbod om onmisbare specialisten uit arme landen te halen.

De Nederlandse wetgever moet in het immigratiebeleid rekening houden met arme landen. Maar het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele problemen van vreemdelingen en op het belang van Nederland.

Dat stelt J. C. Ott terecht (Podium, 4 februari). De Vreemdelingenwet en gerelateerde regelgeving behartigen de belangen van de herkomstlanden niet, terwijl de negatieve effecten van migratie op ontwikkelingslanden groot zijn. Ott propageert tijdelijke immigratie en werk- en scholingsmogelijkheden voor migranten. Er mag verondersteld worden dat langdurig verblijf van immigranten in rijke landen ontwikkelingslanden geen windeieren legt. Bekend is dat (deels illegale) Ghanezen vanuit Groot-Brittanniƫ meer bijdragen aan Ghana's betalingsbalans dan de Britse bilaterale ontwikkelingshulp. Evenzo dragen veel opgeleide personen thans aanzienlijk bij aan Zimbabwaanse gezinsinkomens door in de Britse zorgsector hand- en spandiensten te verrichten. Maar terugkeer van deze 'bijgeschoolde' personen zou vanwege de Zimbabwaanse economische crisis en werkloosheid weinig zoden aan de dijk zetten.

Ook is snelle terugkeer van immigranten na het opdoen van enige scholing en ervaring in Nederland in veel gevallen onwaarschijnlijk als dit niet het belang van de immigrant of diens familie dient. De verlokkingen van onze samenleving zijn groot, ontsnappingsmechanismen (zoals huwelijk, doorprocederen, illegaliteit of doormigratie) talrijk en de huidige problemen met terugkeer weinig hoopgevend. Gebrek aan veiligheid of werk in het arme herkomstland en sociale druk van familie dragen hieraan bij.

Er is aandacht nodig voor negatieve gevolgen van immigratie zoals 'brain drain'. Vluchtelingen ontnemen een land zijn kritische en democratische impulsen. Omdat immigratie niet tegen te houden lijkt vanwege verwachte capaciteitsproblemen in bijvoorbeeld zorg en onderwijs in rijke landen, moet ons immigratiebeleid mechanismen bevatten om schadelijke effecten ervan tegen te gaan.

Bijvoorbeeld, een bedrijf dat een arts of computerdeskundige uit een ontwikkelingsland aantrekt, is verplicht de opleiding van vervangers in het herkomstland te bekostigen. Een immigrant uit een arm land, die in Nederland zijn boterham verdient, wordt bij wet verplicht iets terug te doen voor zijn geboorteland. Zou het niet logisch zijn voor een geschoolde exotische bruid een vergoeding te betalen aan het land waar zij is opgeleid? Restitutie doet zo haar intrede in het immigratiebeleid en de daarmee gepaard gaande middelenstroom zou door ontwikkelingssamenwerking beheerd kunnen worden. Anderzijds moet migratie van onmisbare specialisten uit arme landen worden verboden. Het ligt meer voor de hand dat Nederland financieel bijdraagt aan duurzame inzet van die specialisten in hun land, zoals voor medici in Afrika soms al gebruikelijk is binnen de ontwikkelingssamenwerking. Voorts moet Nederland zich inspannen om terugkerende vluchtelingen of asielzoekers aan ontwikkeling of wederopbouw bij te laten dragen.

De huidige invulling van het immigratiebeleid getuigt van kortzichtigheid. Rijke landen zijn moreel verplicht negatieve gevolgen van migratie te bestrijden en positieve effecten te stimuleren. Wonderen mogen daarvan niet worden verwacht aangezien migratie toch vooral een individuele aangelegenheid en individueel recht is.

mailIcon print |